Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
hamerslag op het aanbeeld roept zijnen knecht, om vijl of drilboor op de
werkbank te laten rusten en den zwaren voorhamer op te vatten, ten einde
met zijnen meester een hamerduo op het rood gloeiende ijzer te spelen.
De smid op Ons dorp is een waar model voor alle smeden. Groot
en forsch van lichaamsbouw, past hij goed bij het metaal, dat zijne
hand verwerkt. Zwart is zijn kroes haar, door ouderdom reeds hier en
daar met een wit puntje gekleurd, zwart zijn zware, stekelige baard,
als de steenkool, die hij op de smidse werpt. Maar, gelijk goedhartigheid
dikwijls met lichaamskracht vereenigd is, zoo straalt zij ook uit zijne
nog helderblauwe oogen.
Zoo staat hij daar dag aan dag in zijne werkplaats achter het zware
aanbeeld, en geen mensch, die den geweldigen slag van zijnen hamer
hoort en ziet, zou vermoeden, dat de arm, die dat werktuig bestuurt,
zich reeds acht en zestig jaren bewoog. Maar wie hem en zijne smederij
in volle glorie wil zien, beschouwe beiden op een donkeren, storm-
achtigen November- of Decemberavond. Uit de ramen van mijn woon-
vertrek heb ik een onbelemmerd uitzicht op de smederij, en, wanneer
de najaarsvlagen gekomen zijn, wacht ik des avonds dikwijls met mijne
vensterluiken te sluiten en licht te ontsteken, alleen om naar de smederij
te zien. Eerst is dan alles donker en zwart in de werkplaats van den
smid, mijnen overbuur, en alleen een klein, aan den schoorsteen han-
gend lampje flikkert, als een vriendelijk sterretje in den donkeren
nacht, terwijl de schaduwen dergenen, die zich daarbinnen bevinden,
als reuzengestalten langs de ramen zwieren. Maar eensklaps straalt een
lichtroode gloed naar buiten; heller en heller stroomt hij uit de ven-
sters, al hooger en hooger wordt hij gekleurd, zoodat het schijnt, dat
hij niet hooger en helderder worden kan, totdat de lichtgloed van het
naastvolgend oogenblik den voorafgaanden tot duisternis maakt. Vriende-
lijk en gezellig scliijnt het daarbinnen, recht uitlokkend op een buiigen
Novemberavond, terwijl de windvlagen groote regendroppen tegen daken
en vensters zweepen en eene akelige duisternis over wegen en velden
hangt. Licht en warmte vertoonen zich daarbinnen, en wat is vriende-
lijker en uitlokkender voor ons, dan het genot van deze beide? Licht
en warm moet het in ons zijn, zullen wij gelukkig wezen; maar ook
om ons vragen wij licht en warmte.