Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
van onderen afgerond hout. Is dat werk verricht, dan zet zij zich
naast haren man, om uit te rusten, een oud kleed te herstellen, of
een nieuw te batikken (beschilderen). Hoog in den boom, waar-
tegen het huis als 't ware aangeleund is, kunt ge eene vogelkooi zien
hangen, waarin eene tortelduif zit te koeren. Gevoelt de Javaan zekere
voorliefde voor de zachtaardige duif, of is de vogel voor hem een
voorwerp van vereering? Noch het een, noch het ander. Bied den
man handen vol duiten, bied hem meer geld, dan zijne have waard
is, hij zal zijne hoop, zijnen schat niet vrijwillig afgeven. Het waarom
zal hij u niet licht zeggen; maar het is, omdat hij gelooft, dat de
vogel, den ouderdom van honderd jaar bereikt hebbende, dagelijks een
gouden ei zal leggen. Het is waar, hij zag nog nooit zulk een ei;
maar dat was zijne schuld niet. Zijn geloof is toch onwankelbaar,
en — hij is gelukkig.
Nog hooger, in het ongenaakbare kruinloof hebben andere tortel-
duiven haar nachtleger gekozen en zingen haar zwaarmoedig avondlied.
Wellicht willen zij hare gevangen makkers het gemis der vrijheid
vergoeden en haar troosten door overdreven verhalen van gebrek aan
graankorrels op de velden, die zij bezochten, of van roofvogels, aan
wier klauwen zij ternauwernood ontsnapten. O! bij dat gekir en gekoe
is de Javaan zoo welgemoed, zoo gelukkig; hij strekt zich dan zoo
behaaglijk op zijne bali-bali uit en neuriet zoo zorgeloos een lied zonder
einde, waarin zijne tortelduif de hoofdrol speelt!
Maar hoor! — de dessa is eensklaps stil geworden; het vogelenkoor
zwijgt. — Het zijn zware voetstappen van ongewone bezoekers, die
naderen, voetstappen van blanken gewis; want de kinderen sluipen
weg, en de Javaan rijst van zijn rustbed op en hurkt neder. Een
angstig gevoel bekruipt hem; want de blanken dragen vuurwapens in
de handen, houden het hoofd in den nek en werpen bespiedende
blikken naar boven. Een is er, die zijne stulp nadert en het geweer
reeds opheft!
De eerbied, die den Javaan het zwijgen gebiedt, totdat hij aange-
sproken wordt, zwicht voor het medelijden met de onschuldige vogels,
zijnen schat, die hem menig uur zoo genoeglijk doet slijten.
„Ampon, toewan!" (vergiffenis. Mijnheer), stamelt hij.