Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
maakt niet den minsten indruk op hen, en geen dier denkt er ook
aan, zich op den anders zoo gewenschten buit te werpen. Het gemeen-
schappelijk gevaar heeft alle vijandschap tusschen de dieren uitgedoofd:
gezamenlijk zwichten ze voor den algemeenen vijand. Met luid gekrijsch
vliegen de roofvogels op, slaan met de wieken en tuimelen, door den
rook verstikt, hals over kop in de vuurzee neer.
Soms breken de vlammen met verdubbeld geweld uit: het is daar,
waar de boeren hunne gevelde en kleingehakte boomen tot wintervoor-
raad hebben opgestapeld. Den brand is hier het voedsel als opgedischt:
gretig valt hij er op aan en onverzadigd woedt hij al verder en verder.
Nu bepaalt hij zich niet langer tot het bosch, hij bereikt de dorpen,
steekt de houten huizen, als zwavelstokken, aan, en binnen weinige
minuten ligt have en goed van vele menschen in puin en asch. Verder
gaan de vlammen, al verder.
Eindelijk komen ze in de nabijheid eener stad, en, ja, eindelijk
begint men nu ook wakker te worden. De gouverneur der provincie
wordt onrustig en bedenkt, dat hij zich toch wat vroeger met de zaak
had moeten bemoeien. Wat nu maar schop of houweel kan hanteeren,
wordt opgeroepen; men trekt eenen kring om het vuur en maakt
diepe groeven in de aarde. Achter deze groeven wordt een aarden wal
opgeworpen, en groeven en wal stuiten eindelijk vereenigd de vlammen
in hare vaart.
7. — de vrucht.
Wanneer gevraagd wordt: „Wat is eene vrucht?" —• dan beginnen
de meesten gewoonlijk, eer ze die vraag beantwoorden, aan zich zel-
ve te denken.
„Wat groeit er aan de planten, dat goed voor mij is, om te
eten?"
Zoo veranderen ze de vraag in hunne gedachten.
En dan is 't antwoord „Appelen, peren, perziken," enz., „en" -