Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
oordeeld, om midden in den zomer tot aan de ooren in de dekens te
liggen, en, naar eene aardige vertelling van „Tante" luisterende, tot de
innige overtuiging kwam, dat ziek-zijn toch ook wel eene aangename
zijde had, en Moeder vertelde mij later, dat ik, als klein kind, ziek-zijn
als een feest was gaan beschouwen, omdat ik „Tante" dan geheel alleen
voor mij zeiven had. Ik heb menig schoon lied in mijn leven gehoord;
maar geen liedje klonk me ooit zoeter in de ooren, dan de liedjes van
„Tante". Zij zong ze, als ik, onrustig van koorts of pijn, den slaap
niet kon vatten, zij zong ze met eene zachte stem, die, naarmate ik
indommelde, steeds zachter en zachter klonk.
Ze wist allerlei verzachtende middeltjes, en toch was haar raad nooit
in strijd met dien van den dokter. Integendeel, soms, als er dadelijk
gehandeld moest worden, had ze vóór de komst van den dokter hem
reeds door allerlei dingen in de hand gewerkt, en ze wist dan haar
krachtig handelen met eene bescheidenheid voor hem te verbergen, dat
men er verbaasd van moest staan. De dokter scheen bepaald met haar
op te hebben. Zijne eerste woorden „U ook weer hier?" waren voor
haar, en zij alleen mocht hem vertellen, hoe de zieke zich gehouden
had gedurende zijne afwezigheid, en welke verschijnselen zich hadden
voorgedaan.
„U ook weer hier?" De dokter mocht het wel vragen; want waar
was ze niet in onze groote familie in tijden van ellende. „Tante" was
de toevlucht zelfe van neven en achterneven; — maar met hoeveel trots
legde ik eens aan een kleinen jongen van Moeders nicht uit, dat ze
toch alleen onze „echte" Tante was. Trotsch, nu, dat was niet ik
alleen op haar. Wat was Moeder niet in haar element, als ze ons ver-
telde van de wonderen, die „Tante" verricht had in dagen van vreeselijke
epidemieën, die in onze stad -syoedden! Was het wonder, dat wij kin-
deren haar, als de beschermheilige van de ziekenkamer, gingen beschou-
wen ? En toch — bij al den eerbied, dien wij haar toedroegen, voelden
we ons volkomen op ons gemak bij haar. Nooit kwam het in ons op, er
aan te denken, dat „Tante" ons eene weldaad bewees met hare trouwe
hulp, och neen, we twijfelden er niet aan, of het was haar lust en
leven, ons den geheelen dag bezig te houden, 'snachts bij ons te
waken en sprookjes te vertellen.