Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
49- - „tante."
Haar portret heeft de eereplaats in onze huiskamer: dat heeft ze nu
eenmaal niet kunnen beletten. Als ik mijnen lust volgde, zou ik er
eenen krans van inmortellen om maken; maar 't is me, of „Tante" me
toefluistert: „Och, neen, doe dat, als je blieft, niet," evenals vroeger,
toen ik een lijstje om haar portret wou borduren.
„Tante", ja, wat kan ik me haar nog goed voorstellen! 't Meest
denk ik aan den tijd, toen ik nog een kind was. Daar lig ik in
onze holle slaapkamer met de mazelen te bed. Ik verveel me; want
de broertjes en zusjes mogen niet bij me komen. „Moe, is er al eene
boodschap naar Tante?" Pas heb ik de vraag geuit, of daar hoor ik
een zachten stap in de gang, een vriendelijk gezicht gluurt om de
deur — ze is er. Natuurlijk. Zoodra een van ons kinderen iets van
belang scheelde, kwam — even zeker als de dokter — „Tante."
Ge denkt wellicht, dat ze ernstig en somber was, als zoovele zieken-
oppassters ? — Dan hebt ge 't geheel mis! 't Was, of haar gezicht in
tijden van ziekte juist nog opgewekter stond, dan anders, en nergens
was ze guller in 't opdisschen van aardigheden en verhalen, dan in de
ziekenkamer, 't Wonderlijkste was, dat de grappigste vertelling altijd
voor den dag kwam, als de pijn het ergst was, en over de pijn zelve
wist ze zoo kluchtig te schertsen, dat de tranen voor een lachje op de
vlucht gingen.
Hol was onze slaapkamer; maar „Tante" wist haar wel gezellig te
maken. Wip, daar had ze een tafeltje voor het bed geschoven en de
medicijnen, netjes op een blaadje gerangschikt, er op geplaatst. En 't
moest al een heel barre tijd van 't jaar zijn, als er dan ook niet spoedig
een vriendelijk ruikertje op dat tafeltje pronkte. Haren stoel bij de tafel,
zóó, dat haar gezicht naar den zieke gericht was, de breikous op den
schoot, een aardig boek, om er uit voor te lezen, op de tafel — daar
zat „Tante". Daar zat ze, ja, en de groote, holle slaapkamer bestond
niet meer voor den zieke: gezellig waren verpleegde en verpleegster
samen in een klein hokje, waarin het bed de eereplaats besloeg.
Ik herinner me nog goed, hoe ik, bij die mazelen-geschiedenis ver-