Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
zoeken ze samen tusschen het koren, in de eene of andere vore of
sleuf, een stil, verborgen plekje uit, en, waar een weggerolde steen
ergens een kuiltje heeft achtergelaten, of een paard den grond heeft
ingetrapt, bouwen ze een aardig nest van strootjes, van binnen met
haren en veertjes zacht gevoerd. Het mannetje staat het wijfje trouw
bij in het uitbroeden der eieren, evenals bij het opvoeden der jongen.
Dit geschiedt tweemaal in het jaar, en somtijds, wanneer het eerste
nest verongelukt, wel eens driemaal.
Zoodra het wijfje gaat broeden of als de jongen uitvliegen, stijgt
het mannetje aanstonds weer in de blauwe lucht en Iaat zijne zilveren
stem hooren; want niet alleen is de leeuwerik een der beste, hij is
ook een der onvermoeidste van onze kleine zangers: zijn lied klinkt
van het begin der lente tot laat in den zomer en somtijds nog wel tot
in den herfst, kort vóór de afreize. Meestal zingt hij onder het vlie-
gen, maar ook wel, vooral in den broeitijd, op eene aardkluit, in de
nabijheid van het nest. Al wie er tijd, geduld en lust toe heeft,
zoeke in het veld een leeuwerikennest op en houde zich in de buurt
daarvan zoo rustig mogelijk: hij zal een genot smaken, rijk aan ver-
rassingen ; want deze aardige vogels zijn zoo weinig schuw, dat zij,
wanneer ze niet moedwillig worden verjaagd, zeer spoedig aan de
menschen gewennen, zoodat men hunne huishouding gemakkelijk be-
spieden kan.
De leeuwerik leeft van de maische sprietjes van gras en andere
planten, verder van schadelijke insecten en zaden. Voor den landbouw
is hij dus zeer nuttig; want de weinige graankorreltjes, die hij nu en
dan oppikt, mogen hem waarlijk niet in rekening worden gebracht.
En toch wordt het lieve en nuttige dier, helaas! jaar in jaar uit door
eene menigte vijanden vervolgd. Het nestje, dat zich zoo laag bij den
grond bevindt, wordt telkens verwoest door honden, vossen, ratten en
muizen, verder door allerlei roofvogels: raven, kraaien en eksters, en
daarenboven maar al te dikwijls door moedwillige knapen. Het diertje
zelf wordt door den sperwer, den havik en den valk vervolgd, vooral
door den zoogenaamden leeuwerikenvalk. Voor dezen heeft het zulk
een grenzenloozen angst, dat het zich voor zijn meedoogenloozen ver-
volger op allerlei wijze zoekt te verbergen en dikwijls zijne laatste