Boekgegevens
Titel: Beginselen der rekenkunde
Auteur: Labberton, Alb.
Uitgave: 's-Gravenhage: Gebroeders van Cleef, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5890
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201179
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der rekenkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
de eenheid. Bij dergelijke grootheden noemt men dit meten
gewoonlyk tellen.
§ 3. Door het vergelyken van eene grootheid met eene ge-
lyksoortige eenheid wordt het aantal eenheden bepaald, dat
in die grootheid begrepen is. De uitlcomst van zulk eene meting,
dit aantal eenheden, noemt men een getal. Getallen bepalen alzoa
de grootte der grootheden ten opzichte der eenheid.
§ 4. Is van een getal zoowel het aantal eenheden als de naam
van elke eenheid bekend, dan noemt men het een benoemd
getal. By de grootheden: 8 HL., 15 gulden , 20 huizen , gemeten
met de eenheden 1 HL., 1 gulden, 1 huis zijn de getallen 8,
15, 23 benoemde getallen.
Kent men alleen het aantal, doch niet den naam der een-
heden, dan heet een getal onbenoemd. Zoo zyn 6, 19, 83^
onbenoemde getallen.
§ 5. Benoemde getallen zijn gelyknamig of ongelijk-
namig, naarmate hunne eenheden denzelfden of een'verschil-
lenden naam dragen. De getallen 7, 23, 68 b.v. zyn gelijk-
namig benoemd, als de eenheden van elk der drie getallen één
gulden zyn, of één paard, of één KG. enz.
Waren de grootheden b.v. f 7, 23 huizen, 68 HL., dan zyn
de getallen 7, 23, 68 ongelijknamig benoemd.
Dikwyls is het mogelijk voor ongelijknamig benoemde ge-
tallen, gelyknamig benoemde in de plaats te stellen. Voor f3,
8 kwartjes, 7 dubbeltjes, 53 centen b.v. kan men lezen: 300
centen, 200 centen, 70 centen, 53 centen. De getallen 300,
200, 70, 53 zijn nu gelijknamig benoemd.
§ 6. Indien men een onbenoemd getal met een ander dergelijk
getal vergelekt, dan zal men ervaren, dat het eerste even-
veel, minder of meer eenheden bevat dan het tweede. Elke
eenheid van het eerste getal zal in het tweede getal hare over-
eenkomstige vinden, öf er zullen in het eerste getal hiervoor
eenheden te kort komen óf er zullen er overbleven. Men zegt
dan, dat het eerste getal gelyk, kleiner ofgrooter is dan
het tweede.
Het hier gezegde geldt evengoed voor gelijknamig benoemde