Boekgegevens
Titel: Beginselen der rekenkunde
Auteur: Labberton, Alb.
Uitgave: 's-Gravenhage: Gebroeders van Cleef, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5890
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201179
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der rekenkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
5807 zal van 5807 ü. 1000-maal en van 5807 H. 100-maal
kunnen worden afgetrokken; nu zyn er in het deeltal meer
dan 5807 H. en minder dan 5807 D. Het quotient zal alzoo
liggen tusschen 100 en 1000; en daar = 9 (§ 103),
tusschen 900 en 1000. Nemen we 900 X 5807 = 5226300
van het deeltal af, dan blijft er nog 429718 over. Deze
rest is meer dan 5807 T. en minder dan 5807 H. De
deeler zal daarvan dus nog meer dan 10-maal en minder
dan 100-maal kunnen worden afgetrokken; en omdat =7
(§ 103) ligt het tweede gedeeltelyke quotient tusschen 70 en
■80 en het geheele quotient tusschen 970 en 980. Nemen we
70X5807=400490 van 429718 af, dan blijft nog 23228 over.
Daar 4X5807 juist 23228 is, bedraagt het geheele quotient
alzoo 974.
Waren er na aftrek van 4x5807 E. nog eenige eenh. over-
gebleven , dan zouden deze de rest der deeling hebben gevormd.
Voor den gewonen vorm der bewerking verwyzen we naar
§ 101, die ook hier in haar geheel van toepassing is.
§ 105. Daar het werktuigelijk gedeelte der deeling by ver-
houdings- en verdeelingsdeeling dus geheel gelijk is, kunnen
willekeurige opgaven als
97603: 297
140678 : 9208 e. m. a.
zoowel als verhoudings- of als verdeelingsdeeling worden op-
gevat.
§ 106. Voor beide soorten van deeling geldt dus dezelfde
Regel. Men schrijft den deeler vóór en het Icomende quotient
achter het deeltal met eene schuine streep tusschen de yetcdlen,
ter afscheiding.
Daarna neemt men van den linlcerhant van het deeltal zooveel
cijfers af, dat hunne ivaarde evengroot of grooter is dan de deeler
en Icleiner dan 10-maal de deeler; dan bepaalt men het quotient
van dit afgesneden deel van het deeltal en den deeler; altoos is
dit een getal van één cijfer; vervolgens vermenigvuldigt men den
deeler met dit getal van één cijfer en trekt het komende product
van het afgesneden deel van het deeltal af. (Mocht dit product