Boekgegevens
Titel: Beginselen der rekenkunde
Auteur: Labberton, Alb.
Uitgave: 's-Gravenhage: Gebroeders van Cleef, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5890
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201179
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der rekenkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
of met weglating van alle overtollige cyfers:
5807 I 5656018 i 974
' 52263 '
42971 ,
40649
23228
23228
0
Na § 100 zal deze vorm der bewerking volkomen duidelyk
zijn. By de laatste schryfwyze werd nog drieërlei bekorting
aangebracht.
II. Verhoiulingsdeeling.
§ 102. Eerste geval. Deeler en quotient zijn beide < 10.
Zij b.v. gevraagd het quotient van 72 en 9; er moet nu be-
paald worden, hoeveelmaal 9 kan afgetrokken worden van
72 (§ 91). Volgens het eerste geval der vermenigvuldiging is
8x9=72. Het quotient is dus 8 en de rest 0. Al zulke deelingen
van het eerste geval behooren tot het rekenen uit het hoofd
en heeft men van lieverlede van buiten geleerd.
Ware de opgave 76 en 9 geweest dan zou eene rest 4
gebleven zijn.
§ 103. Tweede geval. De deeler is > 10 en het quotient < 10.
Zij b.v. gevraagd het quotient van 2688 en 384, hetgeen
hier dan beteekent, hoeveelmaal 384 van 2688 kan worden
afgetrokken. De deeler is grooter dan 3 H.; het quotient is dus
evenveel of minder dan het aantal malen dat 3 H. kan worden
afgenomen van 2688 of ruim 26 H. Dit aantal malen is 8.
Daar 8X384 grooter is dan 2688, nemen we 7 en we vinden
7x384= 2688.
Derhalve: 2688:.384 = 7.
Ware b.v. 2735 het deeltal geweest, dan zou het quotient
ook 7, doch de rest 2735—7x384 = 47 geweest zyn.
§ 104. Derde geval. Deeler en quotient zijn beide >, of oolc = 10.
Zij b.v. gevraagd het quotient van 5656018 en 5807 of
hoeveelmaal 5807 kan worden afgetrokken van 5656018.