Boekgegevens
Titel: Beginselen der rekenkunde
Auteur: Labberton, Alb.
Uitgave: 's-Gravenhage: Gebroeders van Cleef, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5890
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201179
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der rekenkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
Was b.v. 2735 het deeltal geweest, dan zou het quotiënt
ook 7, doch de rest 2735—384X7 = 47 zijn.
§ 100. Derde geval. Deeler en qmtient zijn leicle > 10, of
ook = 10.
Zij b.v. gevraagd het quotiënt van 5656018 en 5807 of hoe
groot elk deel wordt, als 5656018 in 5807 gelyke deelen wordt
verdeeld. Elk deel zal minder zyn dan één duizendtal, daar er
minder dan 5807 duizendtallen zyn te verdeelen. Er zyn echter
56560 honderdtallen; elk deel wordt dus al vast = 9
honderdtallen (§ 99). We nemen 5807X9 honderdt. = 52263
honderdt. van 5656018 af en houden over 5656018 — 5226300 =
429718 of 42971 tientallen en 8 eenheden. Elk deel kan dus nog
vermeerderd worden met VtTrV — tientallen (§ 99). We
nemen 5807x7 tient. = 40649 tient. van 429718 af en houden
over 429718 — 406490=23228. Nu blijkt dat elk deel nog te
vermeerderen is met VïW — ^ eenheden (§ 99) en daar
5807x4 juist 23228 is blyven er dan geene eenheden verder
te verdeelen over. Elk deel werd alzoo: 9 H. + 7 T. + 4 E.
of 974.
Zoodat: 5656018 : 5807 = 974.
Waren er na aftrek van de 5807x4 E. nog eenige eenh.
overgebleven, dan zouden deze de rest der deeling hebben
gevormd.
Men zal nu gemakkelijk inzien , dat de deeling, hier verklaard,
eene toepassing is van de eigenschap van § 96. Immers:
5656018_5226300+406490+23228_ ^^
~58Ö^- 58Ö7 - yOÜ+70+4-974.
§ 101. De gewone vorm van deelingen van het 3e. geval is deze:
5807 ' 5656018 | 900
' 5226300 70
4
429718
406490 974
23228
23228