Boekgegevens
Titel: Beginselen der rekenkunde
Auteur: Labberton, Alb.
Uitgave: 's-Gravenhage: Gebroeders van Cleef, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5890
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201179
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der rekenkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
§ 96. Ter verklaring van de bewerking der deeling dient de
Eigenschap. Eene som tvordt gedeeld door een getal door eiken
term der som door dat getal te deelen en de komende quotienten
samen te tellen.
Zoo is b.v.:
210 98 42
(210+98+42): 14=^+-+15+7+3.
"Want het quotient 15+7+3 14-maal genomen zal volgens
§69 het deeltal 210+98+42 tot product geven, zoodat er
(§ ^5) goed gedeeld is.
§ 97. Men onderscheidt by de deeling, zoowel bij de ver-
deelings- als by de verhoudingsdeeling, drie gevallen:
1. Deeler en quotient zijn beide < 10.
2. De deeler is > 10 en het quotient < 10.
3. Deeler en quotient zijn beide > 10, (of ook = 10).
I. Verdeelingsdeeling.
§ 98. Eerste geval. Deeler en quotient zijn leide < iO.
Zy b.v. gevraagd het quotient van 72 en 9; er moet dan
antwoord gegeven worden op de vraag, hoe groot elk deel zal
worden, als 72 in 9 gelyke deelen wordt verdeeld; het
negende deel van 72 moet dan bepaald worden (§ 90).
Volgens het eerste geval der vermenigvuldiging is 9x8 = 72.
Het verlangde quotient is 8 en de rest is 0.
Dit eerste geval behoort tot het rekenen uit het hoofd. Al
deze deelingen heeft men eens van buiten geleerd. Het grootste
deeltal is 81.
Was het negende deel van 76 gevraagd, dan zouden 4 eenheden
onverdeeld gebleven zijn; die vormden dan de rest der deeling.
§ 99. Tweede geval. De deeler is > 10 en het quotient < 10.
Zij b.v. gevraagd het quotient van 2688 en 384, hetgeen
hier dan beteekent, hoe groot elk deel wordt als 2688 in .384
gelyke deelen wordt verdeeld. Daar er minder dan 384 tient.
te verdeelen zijn, moet elk deel al vast minder worden dan
één tiental. Na eenige beproeving vinden we nu, dat elk deel 7
worden zal, want 384X7=2688. De rest is 0.
Derhalve: 2688:384 = 7.