Boekgegevens
Titel: Beginselen der rekenkunde
Auteur: Labberton, Alb.
Uitgave: 's-Gravenhage: Gebroeders van Cleef, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5890
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201179
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der rekenkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
164
munten waren vóór 1847, de meeste zelfs vóór 1816 in gebruik.
§ 307. De hier te lande gebruikte munten gelden ook in
West-Indië. Oost-Indië heeft geen eigen goudgeld en koperen,
in plaats van bronzen pasmunten , terwyl de zilveren pasmunten
wel even groot (in middellyn) als de Nederlandscbe, doch niet
zoo zwaar zgn; zg hebben een eigen stempel. De Nederlandscbe
gouden en zilveren standpenningen zyn ook in Oost-Indië
gangbaar, althans by de Eykskassen. De Java-Bank voorziet
aldaar in de behoefte aan bankbiljetten (van ƒ 25 — ƒ 1000).
§ .308. Ingevolge de „Latijnsche muntunie", (1865, 1878,
1886), hebben Frankryk, België, Zwitserland, Italië en Grieken-
land dezelfde standpenningen als wettig betaalmiddel. Spanje,
Rumenië, Servië en Bulgarije hebben eveneens de munten der
latynsche unie ingevoerd. De munteenheid is de frank, (Italië:
lira, Spanje: peseta, Rumenië: ley, Griekenland : drachme,
Servië: dinar) a + ƒ 0,47=, verdeeld in 10 decimes en 100
centimes. Er zyn in Erankryk gouden stukken van 100, 50,
20, 10 en 5 francs; zilveren van 5, 2, 1, 0,5 en 0,2 fr. De
unie heeft alzoo den dubbelen standaard.
In Duitschland is de munteenheid de reichsmark (1873)
(+ ƒ 0,58) a 100 pfennige. De vroegere (zilveren) thalers,
moeten, zoolang er nog zijn, tegen 3 mark worden aangenomen.
In het Britsche Rijk is de munteenheid het pond sterling
(± ƒ 12) van 20 shillings a 12 pence. Als gouden munt heet
het pond sterling sovereign.
Oostenryk-Hongarye slaat tegenwoordig gouden munten van
8 en 4 florijnen (20 en 10 francs). Rusland van 5 roebel
(20 francs) en zilveren van 1 roebel (4 francs). Deze gouden
munten moeten als negotiepenningen worden beschouwd (§302). In
beide landen is het muntwezen slecht geregeld en behelpt men
zich groolendeels met papieren geld. De Oostenryksche florijn
(± ƒ 1,18) is verdeeld in 100 kreuzer, de Russische roebel
(± ƒ 1,90) in 100 kopeken.
In de drie Scandinavische Ryken (1873) is de munteenheid
de kroon (± ƒ 0,66) a 100 ore, in Turkye de piaster (ƒ0,105),
in Portugal de milreïs (1000 reïs) a ƒ 2.66.