Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
Een paar pannen betaalt zij met 7 stuivers. Hoeveel cent
houdt zij over?
Vervolgens koopt zij allerlei boodschappen voor 13 stuivers
op 1 cent na. Hoeveel heeft zij nog op zak?
i. Op eene tafel lagen 5 kwartjes en 5 dubbeltjes en 5 centen.
Hoeveel geld (centen) ligt daar? Kinders! schrijft bovenaan
het woord centen.
Daarvan wordt besteed voor een half mud aardappelen een
daalder. Hoeveel blijft er over?
j. Moeder plukte 's morgens 120 appelen. Zij en haar man
en de kinderen samen aten er 's middags 17 van op. Hoeveel
bleven er nog in de mand?
Des avonds, toen er visite was, werden 36 appelen ge-
bruikt. Hoeveel bleven er over?
Den volgenden morgen vond de Moeder in den tuin 20
appelen. De kleine Jan krijgt er 2 van. Hoeveel appelen had
Moeder toen in de mand? enz. enz.
1. Koos, ga eens op de bank staan en geef gq eene door-
loopende som op. Koos, wat moeten de kinderen er boven
schrijven? „Zakken, Meester!" Goed. „Meester, in een molen
lagen 95 volle zakken. De molenaar haalt er met zijn wagen
37 zakken bij. Hoeveel zakken graan heeft hij nu ?" — Kinderen,
hebt ge goed gehoord wat Koos zei? Rekent het dan uit op
de lei. Koos, reken gij het uit het hoofd uit. (De redeneering
zij aldus: „95 en 5 is 100; dan heb ik er nog 32; samen dus
132 zakken"). — Nu verder. Koos!
„Meester, den volgenden dag haalt hij weer 70 zakken er
bij. Hoeveel zakken lagen er toen in den molen? — Kinderen,
uitrekenen op de lei, enz.
„Meester, 's nachts komt er veel wind, waardoor hij malen
kan. Hij brengt den volgenden dag 35 zakken weg. Hoeveel
zakken bleven nog in den molen?" enz.
„Meester, den volgenden dag brengen hij en zijn knecht
108 zakken weg. Hoeveel over?" enz.