Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
77
260 417 278 708 485 55 96 96 140 78 250 75 750 64 388 27

Koos, gij de eerste som. „Meester, een boer had 160 schapen.
Bij verkoopt er 45 van, hoeveel schapen houdt hij over?"
Kinderen, doet Koos dat goed? We weten immers, dat het
eene optelling is. Koos zegt: „Meester, hij koopt er 45 schapen
bij. Hoeveel heeft hij er nu?" — Verder? „Meester, 160 en 40
is 200, en nog 5, dat is 205 schapen."
Teunis, gij de tweede. „In een winkel waren 607 ponden
koffie. De koopman koopt er 75 bij. Hoeveel ponden heeft
hij nu? Meester, 75 en 7 82, en dan nog 600, dus 682 pond."
Maria, gij! „Meester, een werkman ontvangt op Zaterdag
eerst 816 toen nog 75 cent. Meester! 75 en 10 is 85 en 6
is 91, en dan nog 800 dat is 891 cent."
NB. Hoe met do tweede rij? De redeneering zij aldus: »100 en 100
is 200. (Schrijf alvast die 200 neer: ge kunt immers altijd uit-
wisschen). 50 en 50 is ook 100. Die 200 en die 100 samen 300. —
Dus eerst rekening houden met de honderdvouden.
Hoe met de derde rij? Aldus zij de redeneering: »200 en 400
is 600. (Schrijf alvast 600 onder de streep). 60 en 17 is 77.
Dus 677. (Wisch de nullen uit en plaats er 77 voor in de plaats.
Begrepen ?).
l. Jongens, ik lees eene som voor. Gij moet die uitrekenen.
Een el best linnen (breed) kost 120 cent. Eekent uit, hoeveel
4 el kost. — Willem, hoe menigmalen moet ge 120 opschrijven?
Juist, viermaal. — Willem, de jongens hebben de som af,
reken gij nu op bord. Willem redeneert; „100 en 100 en 100
en 100 is 400 cent. (Willem schrijft alvast die 400 onder de
streep). 20 en 20 en 20 en 20 is 80, samen dus 480 cent?
(Willem schrijft onder de streep: 480 cent).
m. Jongens, als 1 mooi prentenboek 125 cent kost, wat
kosten dan 3 prentenboeken?