Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
hij 5 cent uit. Over? 20 cent. Hoeveel moet hij nu nog be-
talen? Nog 3. Marie, neem die er ook af. Hoeveel over?
Zegt allen na: „25, en daar 8 af, is 17." — Van die 17 cent
betaalt hij een vlieger van 8 cent. Trekt af.J'„Eerst die 7, dan
nog 1 er af." Goed. Hoeveel over? 9. Zegt na: „17, en daar
8 af, is 9."
f. Mietje haalt een tarwebrood van 18 en een roggebrood
van 10 centen. Hoeveel moet zij betalen? (Bij die 18 tellen
we eerst die overschietende 2, dat is alvast 20, en dan nog
8 meer, dus: 28. — Zij heeft te betalen 28 cent, Hoe kan
Mietje dat betalen? Juist, Dorus! Zegt na:
„1 kwartje en 3 centen.
2 dubbeltjes en 8 centen.
5 stuivertjes en 3 centen."
g. Dorus had 9 knikkers. Hij won er 7 bij. Samen? 16.
Want 9 en 1 is 10, en 6 is 16, — Toen won hij er 11 bij.
Trui, kom gij dit eens veranderen op het telraam. Goed, eerst
die 4, dat is alvast 20. Hoeveel nu nog. Trui? Kom, als je
er 4 bijtelt, hebt je er nog geen 11 bijgeteld? Hoeveel is 11
meer dan 4? Juist, 7, — Trui, tel er dan nog 7 bij. Goed.
Zegt dus na: „11 is 7 en 4" En nu:
16 en 4 is 20,
20 en 7 is 27,"
Dorus heeft dus 27 knikkers. Hij gaat spelen op de markt
en verliest er eerst 9. Hoeveel over? Kom, Kee, uwe beurt
is het. Juist, eerst die 7 weg. „Dm moeten er nog 2 weg,
Meester!" Goed, Kee, ga uw gang. Hoeveel over? 20, juist.
Zegt allen na: „27, en daar 9 af, is 18." Kee, Dorus speelt
weer en verliest weer 9 knikkers. Hoeveel over? enz,
h. De onderwijzer verschuift de balletjes. Zegt na:
„ 1 dubbeltje is 10 centen,
2 dubbeltjes is 20 centen, enz.
10 dubbeltjes is 100 centen."
i. Een stuivertje is 5 cent. Zegt na, terwijl ik verschuif:
4
J