Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
stukken zijn er nog? meid gebruikt voor het aanmaken
van het fornuis 2 stukken, enz. — Gedurig vragen: Hoeveel
stukken zijn er nog? Is de helft al op?
d. Teekent een grooten koek. Deelt die in 15 stukken
(5 X 3). — Vader eet 3 stukken op. Uitwisschen. Moeder
2 stukken. Hoeveel over? De kinderen eten samen 4 stukken
op. Hoeveel over? Hoeveel al gebruikt? Is de helft al op?
De meid krijgt 3 stukken. Hoeveel stukken blijven er in het
trommeltje liggen ?
e. Teekent een lang brood. Verdeelt dit in 10 even dikke
boterhammen. Teekent er onder 3 borden. Legt op elk bord
3 boterhammen. Uitwisschen en veranderen. Allerlei vragen
onder het teekenen door. Jan, Moeder en Vader zitten er
voor. Elk eet er 1 op. Uitwisschen. Hoeveel ziet gij er nog?
ƒ. Teekent anderhalven appel op de lei. Daaronder nog
eens anderhalven appel. Hoeveel appelen hebt ge nu? — Eet
nu een halven appel op. Uitwisschen. Hoeveel over? Eet nu
weer een halven op. Uitwisschen. Hoeveel over? Weer een
lialven appel opeten, enz.
g. Teekent nu drie en een half koekje. Daaronder twee en
een half koekje. Hoeveel koekjes hebt ge nu? Marie en haar
broertje eten elk een koekje op. Hoeveel houden zij over?
De rest deelen ze. Hoeveel heeft elk? enz.
h. Door eene horizontale streep teekene de onderwijzer eene
watervlakte, door 2 schuine strepen de kanten. De kinderen
teekenen dit na. „Ga je mee visschen, Gerrit?" zegt Piet van
den molenaar. „Goed" zegt Gerrit. Ze gaan. Op eiken kant
teekenen een jongen met een hengel in de hand. Deze is Piet
en die is Gerrit. Gerrit haalt er 2, Piet 3 op. Teekenen op
den kant die kleine visschen. Kijk, daar gaat de dobber van
Piet op en neer, dat zal een groote zijn, tjoek, tjoek! flap!
daar breekt het koord......de arme Piet; de visch zwemt
met den haak weg. Hoeveel visschen hebben ze samen? Hoe-
veel heeft Piet er meer? Piet kan niet meer visschen; hij zit