Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
h. Mietje haalt 8 pijpen. Ze loopt te hard, ze valt, en
breekt er 5. Hoeveel pijpen blijven er heel?
e. Johan had 12 knikkers. Hij verliest er 10. Hoeveel houdt
hij er over? (In eens het antwoord: niet: „O van 2 is 2."
Zooals uit het vervolg zal blijken: we zullen de kleinen leeren
optellen en aftrekken en vermenigvuldigen, zonder te spreken
van bewaren en leenen).
d. Eene vrouw had een dozijn eieren van haar kippen. Zij
heeft visite en gebruikt er 9 van. Hoeveel houdt zij over?
Bij het antwoord eene e.
e. „Moeder, hoe groot is mijne taak?" „Tien naadjes.
Mietje!" — Mietje breidt er 6 van. Hoeveel komt zij dan
tekort ?
f. Een hok bevat 11 hoenders. Er sterven er 4 van. Hoe-
veel hoenders over?
g. Op een dijk staan 9 hooge boomen. Een valt er om
door den storm. Hoeveel staan er nu nog?
h. Moeder snijdt 12 boterhammen. Ik eet er 3 van op en
mijn zusje ook 3. Hoeveel blijven er over?
j. Jan had een stuiver en 4 centen. Hoeveel is dat samen?
Schrijft op: 9. Hij koopt eene taatstol van 3 en eene draaitol
van 1 cent. Hoeveel houdt hij over?
k. In den oorlog verliest een soldaat 3 vingers. Hoeveel
vingers heeft die man nog ? (Piet zet op de lei ëene 7, zonder
meer. Dit moet de onderwijzer niet toelaten: de vorm mag
niet veronachtzaamd worden. Eerst 10 opschrijven, 3 er onder;
7 tot rest. Bij die 7 eene v.
l. Op de tafel lagen 12 kersen. Jan eet er 11 van op.
Hoeveel kersen blijven over?
m. Een man had 9 gulden. Hij koopt eene tafel van 9 gulden.
Hoeveel houdt hij over?
F.
a. Het schrijven der getallen van 10 tot en met 20. Jongens,