Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
O. De onderwijzer teekene 5 appels, 4 peren, en 3 kersen. —
Jongens, hoeveel appels ziet gij? Hoeveel kersen? Hoeveel
peren ? Willem, hoeveel vruchten telt ge ? Zegt nu na: „5 en 4
is 9; 9 en 3 is 12." Nu dit: „er zijn 12 vruchten: 5 appels,
4 peren en 3 kersen." — Petronella, kom gij eens hier. Zeg
mij eens, wat zijn er meer, appels of peren. Appels; juist.
Hoeveel meer? Zegt na: „er zijn meer appels dan peren,
1 meer." — Wat zijn er meer, appels of kersen? Zegt na:
„er zijn meer appels dan kersen, 2 meer." — Jongens, als
ik de 5 appels opeet, hoeveel vruchten zijn er dan nog? Zegt
na: „5 en 3 is 8." — Trijntje, kom gij alle vruchten nog
eens tellen. — Trijntje, eet er nu eens 1 appel van op.
(Trijntje wischt uit). Trijntje, hoeveel vruchten zijn er nu nog?
Jongens, zegt na: „12, en daar 1 af, is 11." — Kobus, reken
gij op eene andere manier uit, dat er nog 11 vruchten zijn.
Goed, goed! Jongens, zegt na: 4 en 4 is 8, 8 en 3 is 11." —
Jongens, wat zijn er meer: peren of appels? Karei, eet gij
nu eens een appel op. Hoeveel over? Allen: „11, en daar 1
af, is 10." — Hoeveel vruchten zijn er al op? Zegt na: „12,
en daar 2 af, is 10." — Piet, reken het op eene andere
manier uit. Kom, hoeveel vruchten van elke soort zijn er?
Juist: „3 en 4 is 7; 7 en 3 is 10." Van welke soort zijn de
meeste. Truitje? Hoeveel meer? — Dora, kom gij ook eens
een appel opeten. (Dora wischt uit). Hoeveel vruchten over?
Hoe rekent gij het anders uit? Hoeveel vruchten van elke
soort? Van welke soort de minste? enz., enz. — (Gedurig ver-
anderen de verhoudingen.)
j). In eiken hoek van het bord teekene de onderwijzer een
klein jongentje. Kinderen, let op. Hij daar is Jan. Deze is
Karei. Die is Leendert en de vierde, daar in de laagte, is
Reinier. — lederen jongen geven we 3 knikkers. Mietje, kom
gij dit eens teekenen. Onderwijl vragen. Dan in koor:
„1 jongen heeft 3 knikkers.
2 jongens hebben 6 knikkers.