Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
jongens! Zegt na: „4 en 4 is 8." Nu ojj eene andere manier.
Zegt na: „5 en 3 is 8." Goed, jongens!
Marie, steek op 9 vingers. Zegt allen na: „5 en 4 is 9." —
Nu op eene andere manier (?).
Jongens, steekt op 10 vingers. Zegt allen na: „5 en 5 is
10" — Nu op eene andere manier (?).
Jongens, steekt op elf vingers.
j. De onderwijzer teekene 10 knikkers, 5 aan 5. Daaronder
teekene hij er 1 bij. Jongens, hoeveel knikkers ziet gij nu?
Goed. Zegt na: „10 en 1 is 11." — Nog 1 knikker. Zegt
na: „11 en 1 is 12." — Al die knikkers zijn van Cornelis.
Hij verliest er 2. (De onderwijzer geve door die 2 knikkers
strepen). Jongens, hoaveel houdt hij er over? 10. Hoeveel
verloor hij er? 2. Zegt na: „10 en 2 is 12." Zegt ook na:
„12, en daar 2 af, is 10." — Koos, nu verliest Cornelis er
weer 2; streep die eens door. Koos, hoeveel heeft hij nog
over? „Meester, hij hebt (heeft) er nog 8." Jongens, hoeveel
heeft hij er verloren? Scherp kijken, hoor. Eerst 2, toen nog 2.
Hoeveel ook verloren? Zegt na: „eerst 2, toen nog 2, dat is
4 verloren." Hoeveel heeft hij er nog? Hoeveel had hij in het
begin? Zegt na: „8 en 4 is 12." Zegt ook na: „12, en daar
4 af, is 8." — Nu verliest hij er weer 2. Hoeveel heeft hij
ei' over? Hoeveel verloor hij er? Zegt na: „6 en 6 is 12."
Hij is nu juist kwijt de helft. -Zegt na: „Cornelis heeft juist
de helft verloren." Zegt na: „Cornelis heeft de helft over?" —
Zegt na: „12, en daar 6 af, is 6." — Nu verliest hij er
weer 2. Weer allerlei vragen, enz., enz.
li. „Boe, boe! Jongens, eene koe." (Teekenen. Zoo de koe
te moeilijk is, neme de onderwijzer een ander viervoetig dier).
Hoeveel pooten heeft ze? Zegt na: „1 koe heeft 4 pooten."
Hoeveel horens? — Weer eene koe. Hoeveel pooten heeft die?
Hoeveel pooten samen? Zegt na: „2 koeien hebbeu 8 pooten."
Hoeveel horens hebben ze samen? Zegt na: „2 koeien hebben
5 horens?" (Eene enkele maal moet de onderwijzer de leer-