Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
klas. Berst verliest hij er 1. toen weer 1, allemaal, 1 voor 1.
Jongens, aftellen: 10, 9, 8,....... 0. (Gedurig 1 uitwis-
schen).
h. Pie, teeken eens 2 centen. Weer 2 centen, er onder.
Samen 4. Zegt na: „2 en 2 is 4." Jans, teeken gij er weer
eens 2 bij. Hoeveel centen zijn er nu ? Zegt na: „4 en 2 is 6."
Weer 2, Hendrik! „6 en 2 is 8." Nu weer 2. „8 en 2 is 10."
Laten we nog eens tellen: 2, 4, 6, 8, 10. Johanna, 10 centen,
wat kun je daarvoor wisselen? Zegt allen na: „10 centen is
net zooveel als 1 dubbeltje." Hoeveel rijtjes ziet ge? 5, juist.
Op 1 rijtje? 2 centen. Zegt na:
„Op 1 rijtje 2 centen.
Op 2 rijtjes 4 centen.
Op 3 rijtjes 6 centen.
Op 4 rijtjes 8 centen.
Op 5 rijtjes 10 centen."
Al die centen zijn van een klein meisje. Zij koopt er eerst
van een prent van 2 cent. (Die 2 centen worden doorgestreept).
Jongens, hoeveel cent houdt zij over? Zegt na: „10, en daar
2 af, blijven er 8 over." Hoeveel rijtjes ziet gij nog? 4, juist.
Zegt na:
„4 rijtjes van 2, dat is 8."
Zij koopt er verder van een pennehouder vau 2 cent. (Door-
strepen). Kinders, hoeveel cent heeft ze nog over? Hoeveel
rijtjes? Zegt na:
„3 rijtjes van 2, dat is 6."
Kinders, hoeveel centen heeft ze al uitgegeven? „Zegt na:
10, en daar 4 af, blijven er 6 over." — Nu koopt zij voor
2 centen peren. Hoeveel over ? Hoeveel uitgegeven. Meer
soortgelijke herhaling.
c. Jongens, een stuiver, hoeveel centen is die waard? Goed,
zegt na: „1 stuiver is 5 centen." — Piet, kom gij dat eens
teekenen. (Piet teekent 5 cirkeltjes). Jozef, teeken gij er eens
een stuiver bij; er onder. Goed. Jongens, laten we eens tellen.