Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
veel knikkers heeft elk ook? Goed. Hoeveel samen? Zegt na:
„4 en 6 is 10." — Wacht, denkt Jan, nu zal ik eens kijken.
Hij schiet mis, hij verliest weer 1 knikker? Klazina, kom gij
dat eens veranderen; hier heb je het krijt. Hoeveel heeft de
kameraad er nu ? En Jan ? Hoeveel knikkers samen ? 10, juist.
Dat blijft dus 10; dat is te begrijpen. Scheiden ze uit met
spelen, wie of er ook wint, — samen altijd 10. — Zegt dus
na: „7 en 3 is 10." Hoeveel heeft Jan er in het geheel ver-
loren? Juist, 2. Hoeveel heeft zijn kameraad er gewonnen?
Natuurlijk ook 2. Zegt nu na: „omdat Jan er 2 verliest,
wint zijn kameraad er 2." Hoeveel verschillen ze? Zegt dus
na: „7 is 4 meer dan 3." Jan verliest er weer 1. Wie kan
dit eens komen veranderen? Zoo, Erans, kunt gij dat ook al?
Knikker je ook al? Nu jongen, verander gij dat dan. Hoeveel
heeft Jan er? En de kameraad? En samen? Zegt na: „8 en 2
is 10." Hoeveel heeft Jan er in het geheel verloren? En hoeveel
won de kameraad er? Hoeveel heeft hij meer dan Jan? Zegt
na: „3 verloren of 3 gewonnen, dat verschilt er 6." Jan ver-
liest er weer 1. Hoeveel heeft hij nu nog maar? 1. En zijn
kameraad? 9. Samen? Zegt na: „9 en 1 is 10." Weer vragen
als daar straks? — Dat gaat niet goed, denkt Jan; wacht,
nu zal ik beter raken. Hij wint er nu 2. Dat was prettig, hé!
Kee, kom gij dat eens veranderen. Hoeveel heeft elk er nu?
Hoeveel verliest hij er nu nog maar? Zegt na: „Jan had er
eerst 5, nu 3, dat scheelt er 2." Hoeveel heeft zijn kameraad
er meer? enz. — Jan en zijn kameraad gaan naar school. Op
het schoolplein spelen ze ook nog eventjes. Jan wint er in
eens 3. Hoeveel heeft hij er nu? 6. Nu verliest hij niet meer,
is het wel? Had hij er in het begin geen 5? Zegt na: „Jan
wint er 1." Zegt na: „de kameraad verliest er 1." Weer ver-
liest de kameraad er 2. Soortgelijke vragen als boven, enz.
Eindelijk heeft Jan, die van zijn kameraad alle gewonnen.
Zegt na: „met 5 begonnen en 5 gewonnen, dat is samen 10."
De kleine Jan gaat spelen met de jongens uit de hoogste