Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
kat at er 2 op. Hoeveel bleven er nog in leven?
X. Grietje breide op Maandag 2 naadjes, op Dinsdag even-
veel en op Woensdag 1 naadje. Hoeveel naadjes had zij
gebreid.
XL Hoeveel naadjes had Mina meer gebreid, zoo zij er 6
in die drie dagen had gemaakt?
XII. Op een dak zaten een spreeuw, 2 kraaien en 3 mosschen.
Vier vogels vlogen er weg. Hoeveel bleven er nog zitten ?
O.
In de volgende voorbeelden komen getallen voor van 1 tot
en met 10, eene enkele maal tot en met 12. De voorbeelden
in B aangegeven kunnen weder gebruikt worden, als men
meer jongens, appels, kippen, enz., teekent. Nog eens moet
het opgemerkt worden: de onderwijzer zij geen slaaf der
methode. Hij moet die wijzigen naar de behoeften der leer-
lingen.
a. Aan den linkerkant en ook aan den rechterkant van het
geheel ledige bord teekene de onderwijzer een jongen. De
eene is Jan, de andere is zijn kameraad. Elk van die jongens
heeft 5 knikkers. (Voor iederen jongen teekene de onderwijzer
5 knikkers). Hoeveel knikkers hebben ze samen? Laten we
eens tellen. Jan 5, die tellen we niet meer; maar nu verder,
ik wijs bij, „6, 7, 8, 9, 10." Juist, 10 knikkers. Zegt na:
„5 en 5 is 10." Koosje, kom hier. Jan verliest er 1. (Koosje
wischt er 1 uit van Jan en plaatst dien bij den kameraad).
Koosje, hoeveel heeft Jan er nu? Zegt allen na: „5, en daar
1 af, is 4." Hoeveel heeft de kameraad er. Mie? Zegt allen
nu na: „5 en 1 is 6." — Hoeveel knikkers heeft Jan nu
minder dan zijn kameraad? Zegt na: „6 is 2 meer dan 4."
Jan heeft er maar 1 verloren en toch heeft zijn kameraad er
2 meer. Hoe komt dat? Juist; zegt dus na: „1 winnen of
1 verliezen, dat scheelt er 2." — Ze gaan weer spelen. Hoe-