Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
liest hij er 3. Hoeveel ziet ge er nu nog? Hoeveel zijn er
verloren? Zegt na: „3 en 3 is 6." Ook dit: „6, en daar 3
af, blijven er 3 over." Hij speelde dicht bij den waterkant;
1 knikker liep er in het water? Piet, kom gij hier. (Uitwis-
schen). Hoeveel over ? Die 2 verliest hij ook ? Zegt na: „2, en
daar 2 af, nul over." — Jongens, wat is het grootste getal
knikkers geweest? Goed, 6. Tel nu eens tot 6. Nu terug tot 0.
e. „Tuk, tuk!" Daar is eene kip. Hoeveel pooten heeft die?
Zegt dus na: „1 kip heeft 2 pooten." „Kukeleku!" Een haan.
Hoeveel pooten heeft die? Zegt na: „Een haan heeft ook
2 pooten?" Hoeveel hoenders ziet ge? Hoeveel pooten ziet ge?
Zegt na: „2 hoenders hebben 4 pooten." Jongens, daar komt
weer eene kip; tuk, tuk! Hoeveel vogels ziet ge? Hoeveel
pooten ziet ge? Tellen: „2, 4, 6." Zegt na: „3 hoenders
hebben 6 pooten." Hoeveel hippen ziet ge? Hoeveel pooten
hebben die? Zegt na: „2 kippen hebben 4 pooten." Hoeveel
snavels ziet ge? Hoeveel staarten? Hoeveel vleugels heeft elk
beest? Hoeveel vleugels hebben ze met hun drieën? Zegt na:
„1 vogel heeft 2 vleugels.
2 vogels hebben 4 vleugels.
3 vogels hebben 6 vleugels."
De onderwijzer teekene nu er 3 kleine kuikentjes bij. Jongens,
hoeveel kuikentjes ziet ge ? Hoeveel hoenders ziet ge ? Tellen.
Zegt na: „3 en 3 is 6 hoeders." Wat zijn er meer: kippen
of kuikens? Hoeveel meer? Onder de kuikens is ook nog een
haantje. (Het middelste kuikentje krijgt eenen kam). Jongens,
hoeveel hanen ziet ge nu? Mie, kom gij ze eens wijzen. Zegt
allen na: „Ik zie een grooten en een kleinen haan ?" Hoeveel
kippen ziet ge. Jan! Tel ze eens. Zegt allen na: „ik zie
2 groote en 2 kleine kippen." Vier kippen en twee hanen dus.
Zegt na: „4 en 2 is 6." — Kee, kom gij al de kuikentjes
nog eens tellen. Mie, gij al de hoenders. Het wordt 4 uren.
De vrouw doet het hok open. Het kleine haantje loopt binnen.
(In een oogenblik uitvegen), Hein, hoeveel hoenders loopen