Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
136
dd. En hoeveel rijksdaalders voor ƒ 7 en 50 cent? En voor
f 17 en 50 cent? En voor / 32 en 50 cent? Eu voor f 35?
En voor f 52 en 50 cent? En voor f 37 en 50 cent? En
voor / 67 en 50 cent? En voor f 112 en 50 cent? En voor
/ 317 en 50 cent? — Zoo:
f 7 en 50 cent = 3 r.
ee. Hoeveel gulden kan men inwisselen voor: 4, 8, 12, 16,
28, 20, 36, 24, 60, 80, 100, 5, 10, 15, 7, 14, 9, 18,
11, 22, 13, 26 en 117 kwartjes? — Zoo:
4 kw. = ƒ 1.
5 kw. =: /■ 1 en 25 cent.
ff Eene vrouw heeft op zak 7 rijksdaalders en een munt-
biljet van f 10. Zij koopt eene japon voor f 11 en 80 cent,
een hoed voor f 1 en 80 cent en -een stuk Amersfoortsch
voor / 4 en 25 cent. Hoeveel houdt zij over?
gg. Eene vrouw heeft 2 rijksdaalders, 3 guldens en 7 kwartjes
en 18 dubbeltjes op zak. Hoeveel is dit te zamen? — Zij
besteedt bij den kruidenier voor /" 6 en 68 cent, aan de
naaister betaalt ze acht schellingen, aan den huisbaas 28 stuivers.
Hoeveel houdt ze over? — (Op 2 manieren).
hh. Teekent eene klok en laat het dawop zijn 8 uren. En
nu eene met 3 uren. — Teekent eene klok en laat het daarop
zijn half een. En eene met half elf.
ii. Jan, Piet, Leendert en Willem spelen met knikkers.
Jan heeft er 27, Piet heeft er 13 meer; Leendert heeft er 21
en Willem tweemaal zooveel. Bij het eind van het spel staan ze
gelijk. Hoeveel won of verloor elk?
jj. Jan gaat de deur uit met 36 knikkers. Hij speelt eerst
bij de brug; Willem wint hiervan net de helft; zes knikkers
loopen in het water. — Uaarna speelt Jan op de markt, waar
hij viermaal zooveel wint als hij bezit. Hoeveel heeft hij er
nu? — „Kom (denkt .Jan), ik moet naar huis." Onderweg
speelt hij nog even met een buurjongen en wint 28 knikkers,
maar 2 loopen er iii een put. Hoeveel knikkers heeft hij nu?