Boekgegevens
Titel: Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Auteur: Laan, R.C.; Pelt, D. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5871
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201170
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het reken-onderwijs in de laagste en middelste afdeelingen der volksschool: eene nieuwe methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
heel zijne ziel bij die daad te verplaatsen, het te doen gevoelen,
dat het ook belang heeft bij het rekenen. Het teehenen dient
om den kleinen een overzicht van de hoeveelheid te geven.
Denk nu niet, dat ge hetzelfde doet met de balletjes van het
telraam of met streepjes op bord; die manier is niet plastisch
genoeg voor de kleinen, daar ze dan zoo licht afdwalen van
het tooneel der samenleving, door u in uwe vertelling opge-
slagen. Zorg er ook voor, dat ge vlug teekent, ruwe om-
trekken slechts: anders dwalen de kleinen toch af.
B.
Hoe dié vertellingen moeten zijn? Kort, maar niet stroef.
Honderden gevallen bieden de kinderkamer, de school, het
huisgezin, de markt, de winkel, de tuin, het spel, het ijsveld,
het weiland, u aan. Voorbeelden volgen er. Bij de voorbeelden
houde men rekening met plaatselijke toestanden. De onder-
wijzer zij geen slaaf van eene methode; hij moet ze integendeel
beheerschen en ze wijzigen naar de omstandigheden, waarin
de leerlingen verkeeren. In de eerste rij voorbeelden ga men
niet hooger dan tot 6.
a. Jan heeft goed geleerd. Hij komt met een nieuw boek
thuis. Vader zegt: „Jan, loop eens mee den tuin in; dan
zullen we eens kijken of er nog peren te vinden zijn." Wat
was Jan blij! Daar gaan ze; daar hebben we den boom. (Met
een paar ruwe trekken worde de boom geteekend, al is het
maar een tak met twee blaadjes). Ha, daar ziet Jan er eene.
(Teekenen). Weer eene. (Natuurlijk weer teekenen; zoo ook
de volgende). Hoeveel zijn er nu? Zegt na: „l peer en nog
1 peer, dat zijn er 2." Weer eene. Jongens, hoeveel peren
zijn er nu? Zegt na: „2 peren en nog 1 peer is 3." Ziet ge
de grootste peer wel, jongens? Zegt na: de grootste peer is
aan den rechterkant." Jongens, waar hangt de kleinste? Zegt
na: „de kleinste peer liangt midden in." Jan ziet weer eene