Boekgegevens
Titel: Aanleiding tot de wiskundige aardrijksbeschrijving
Auteur: Kwantes, J.; Wijk, J. van
Uitgave: Amsterdam: S. de Grebber, 1828
2e onveranderde uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5819
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201158
Onderwerp: Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Kosmografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aanleiding tot de wiskundige aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
( ^ )
Lijnen.
§ 4. Eene Lijn is eene uitgebreidheid, die al-
leen lengte heeft. De uiteinden van lijnen zijn
punten, die geene grootte hebben.
S 5. Men onderfcheidt de lijnen in regte en
kromme lijnen.
Eene regte lijn (A B, fig. i.) is de kortfte af-
ftand tiisfchen twee punten; eene lijn daarentegen,
welke geftadig van rigting verandert, noemt men
eene kromme lijn, als B C. (Jig. 2.)
§ 6. Twee lijnen (A B en C D, fig, 3.) die,
hoe ook verlengd, elkander nimmer fnijden,
maar altijd denzelfden afftand van elkander blijven
behouden, worden paralelle of cvemvijdige lijnen
genoemd.
§ 7, De helling of neiging (A B en A C,
figé 4.) die in een punt (A) zamenkomen, draagt
den naam van hoek. De lijnen, welke den hoek
bepalen, noemt men de becnen, en het punt van
zamenkomst het toppunt van den hoek. De hoek
zelf wordt meestal met drie letters uitgedrukt,
waarvan de middelile altijd den hoek aanwijst, b. v.
hoek B A C.
§ 8. Wanneer twee lijnen (A B en D C*-
fig' 5') elkander in een punt (C) zoodanig ont-
moeten, dat de hoeken (A C D en BCD), welke
door deze lijnen gevormd worden , even groot zijn,
wor-