Boekgegevens
Titel: Aanleiding tot de wiskundige aardrijksbeschrijving
Auteur: Kwantes, J.; Wijk, J. van
Uitgave: Amsterdam: S. de Grebber, 1828
2e onveranderde uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5819
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201158
Onderwerp: Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Kosmografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aanleiding tot de wiskundige aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 82 )
■kcls, de bewegingen der hemellichten, benevens
derzelver verfchijnfelen, verklaren (♦), maar dan
moet men ook:
1.) Aan de hemelligchamen, en dus ook aan
de Zon, eenen graad van fnelheid toefchrijven, die
alle bevatting te boven gaat, bij voorbeeld: — Laat
in fig. 43 in a de Aarde, en in c de Zon zijn,
dan is Ä c, of de afftand, welken de Aarde van
de Zon heeft, gelijk aan 21 millioenen mijlen.
(^zie bladz. 58 en 75.) Stellen wij nu, dat de
Zon zich werkelijk om de Aarde beweegt, dan
moet zij ook, in 24 uren, eenen cirkel of loop-
kring (b e c d) befchrijven, wiens diameter (a c)
42 millioenen mjglen lang is. Berekenen wij ver-
volgens, naar § 33, den omtrek van zoodanigen
cirkel, dan blijkt het, dat dit hemellicht, in dien
tijd, eenen weg van ten minfte 131 millioenen
mijlen, en dus in déne fekonde ongeveer 1500
mijlen moet doorfnellen.
2.) Wordt, volgens dit ftelfel, de Aarde bin-
nen de loopkringen van Mercurius en Fenus ge-
plaatst, terwijl intusfchen de waarnemingen ons
keren, dat de Zon zich in de loopkringen dezer
beide Planeten bevindt, niet alleen, maar ook,
dat
' (*) Zie deswege, onder anderen, steenstra; Grond-
beginfelen der Sterrekunde, I Deel , VI Hoofdfluk, pag,
393 eh verv..