Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
8S
lijke stralen van waterdamp te kunnen opspuiten, waardoor zij
den naam van Blazers verkregen hebben.
De Dolfijn is een dier, dat omtrent drie meter lang kan wor-
den. Hij lieeft een langen, spitsen bek en in de beide kaken
kleine, maar zeer scherp gepunte tanden, waarvan hij zich uit-
muntend weet te bedienen; want hij is naar evenredigheid zijner
grootte het verslindendste van alle dieren van zijne soort. Van
boven is zijn lichaam zwai-t en met eene opstaande vin voorzien ,
maar van onderen is hij wit. Hij leeft bij troepen in bijna alle
groote zeeën en is beroemd wegens zijne snelheid en zijne liefde
voor zijne jongen. Of hij ook een groot liefhebber van de muziek
is, zooals men vertelt, kan ik tegenspreken noch verzekeren.
De Bruinvisch wordt nauwelijks twee ellen lang, en is het
kleinste der vischvormige zoogdieren. Hij is van boven zwart,
van onderen wit en aan de zijden paarsbruin. Hij wordt in ver-
scheidene zeeën gevonden, en ook in de Zuiderzee en werd soms in
het IJ gezien. Eene grootere soort van bruinvisschen, de Orken
of Noordkapers^ zijn de geduchtste vijanden van den walvisch.
Zij vallen hem in groot getal aan, en kwellen hem zoo lang tot
hij sterft of zich uit angst laat stranden.
De Walvisch is het grootste aller zoogdieren, daar hij eene
lengte van vijf en twintig ellen bereiken kan. Zijn kop is buiten-
gewoon groot, makende deze bijna de helft van het geheele dier
uit. De mond is zeer groot en wijd, en bevat eene weeke, dikke
tong; doch de keel is nauw, zoodat de walvisch geene groote
dieren verslinden kan, te meer daar hij in het geheel geene tanden
heeft. Maar zijne bovenkaak en zijn gehemelte zijn voorzien met
ongeveer drie honderd horenachtige bladen, oneigenlijk walvisch-
baarden geheeten. Deze zijn van verschillende lengte en dikte,
daar die, welke zich in het midden van den mond bevinden,
wel drie of vier ellen lang, van boven wel drie palmen breed zijn;