Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
73
altijd met zekerheid nederkomt op de plaats waarop zijn scherp-
ziend oog gericht is. Het leeft van mos en wortelen, en heeft
zeer welsmakend vleesch. De huid van het mannelijke muskus-
dier is op het midden van den buik eenigszins uitgezakt, en vormt
aldaar een kleinen buidel, waarin zich de stof verzamelt, welke de
bekende muskus is. Wanneer een jager een muskusdier gedood
heeft, snijdt hij weldra den kleinen muskusbuidel af, bindt dien
toe, en laat hem een weinig drogen, om er vervolgens geld voor
te maken. In geringe hoeveelheid genomen, verspreidt de mus-
kus een voor velen aangenamen, voor sommigen echter onaange-
namen geur, maar hij is vooral als geneesmiddel in gebruik,
welk geneesmiddel echter zeer duur is.
Nu zullen wij eenige herkauwende dieren beschouwen, welke
geen snijtanden in de bovenkaak en ook geen hondstanden be-
zitten; en die van horens voorzien zijn, ten minste de mannelijke
dieren, daar de wijfjes niet allen dit sieraad of deze verdedigings-
middelen ontvangen hebben.
Het Hert is een schoon dier, dat om zijne grootte en de fraai-
heid zijner gestalte wel den naam verdient van Edelhert, waar-
mede men het van andere hertensoorten onderscheidt. Het heeft
echter dien naam daaraan te danken, dat in vroeger tijd alleen
adelijke lieden het mochten jagen. Het wordt bijna zoo groot
als een klein paard, heeft een rank lichaam, dunne pooten en
kort, glad haar. Op het hoofd draagt het mannetje getakte
horens, die men den naam van gewei gegeven heeft; maar het
wijfje of de hinde is van dit sieraad ontbloot. Wanneer de jonge
lierten één jaar oud zijn, dragen zij reeds horens van twee of
drie palmen lang, doch die nog niet van veilakkingen voorzien
zijn. Deze horens vallen af, maar er komen spoedig andere voor
in de plaats. Op den ouderdom van drie jaren draagt het hert
reeds horens met drie uitspruitsels of takken, en ieder jaar hebben