Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
grootste woede achterna ijlen zal. Men vangt hem om zijn eet-
baar vleesch en om zijne dikke huid, waarvan men zeer sterke
riemen vervaardigt. Er zijn in Indie en Afrika verscheidene
soorten van Rhinocerossen. Het voornaamste verschil tusschen
de Indische en Afrikaansche soorten is vooreerst, dat de Indische,
gelijk reeds gezegd is, slechts één horen op den snuit dragen,
terwijl de Afrikaansche twee horens bezitten — en ten tweede
dat bij de Indische soort de dikke, stijve huid diepe vouwen
of plooien bezit, die bij de Afrikaansche ontbreken.
De Tapir is een vrij plomp dier, dat ongeveer de grootte van
eenen ezel heeft, en zich in de moei-assige streken van Zuid-Amerika
ophoudt. Zijn snuit is krom en zeer beweegbaar, zooals eene
slurf nagenoeg, maar niet meer dan één palm lang. Zijne zwart-
bruine huid is bijna naakt, maar langs den dikken hals hebben
de mannetjes korte overeind staande haren, die eene soort van
manen vormen. Van voren hebben de tapirs vier, van achteren
drie hoeven. Hun staart en hunne ooren zijn zeer kort. Zij
ontvluchten de menschen, en voeden zich met moerasplanten en
wortels, die zij met hunne korte slurf zeer goed weten op te
woelen. Ook wentelen zij zich gaarne in het slijk, maar zijn
zoo zindelijk van zich telkens in de rivier weder af te wasschen.
Zij houden ook veel van baden en zijn uitnemende zwemmers.
Zij hebben snijtanden, kiezen en hondstanden, welke laatste
echter niet zeer groot zijn. Zij trachten er zich ook nooit van
te bedienen om zich te verdedigen, want bij eiken aanval zoeken
zij hun heil in de vlucht, werpen zich in de eerste rivier de beste,
duiken onder, zwemmen onder water voort, en komen, twee of
drie honderd schreden verder boven om adem te halen en terstond
weder onder te duiken. Het vleesch van den tapir is eetbaar.
Maar bovenal is zijne huid voor de Wilden een zeer gewaardeerd
voorwerp, want als deze gedroogd is, maken zij er schilden van,