Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
leverd. Het onderscheidt zich van het wilde zwijn voornamelijk
door de kleur der borstels, die bij het laatste veel donkerder van
kleur zijn. Het spek en de borstels zijn de voordeden die de
zwijnen ons verschaffen, terwijl zij ons bij hun leven geen nut
aanbrengen.
Nu komen wij aan een zeer dikhuidig dier met drie hoeven
aan eiken voet, en een of twee horens op den neus. Ik bedoel
den Ehinoceros of Neushoren, een plomp dier, meer dan drie
ellen lang en twee ellen hoog. Men vindt hem, waar men
den olifant aantreft; dus woont hij in de heetste gewesten van
Azië en Afrika. Hij heeft in het geheel geene hondstanden, die
aan sommige dikhuidige dieren tot zulke geduchte wapens ver-
strekken. Maar hij heeft een ander, niet minder vreeselijk wapen.
De Indische rhinoceros heeft één, de Afrikaansche twee horens
achter elkander op den neus, waarvan de achterste slechts klein,
maar de voorste, evenals die van zijn Indischen naamgenoot,
somtijds wel acht palmen lang is. Gelukkig is de rhinoceros een
vreedzaam en dom dier, dat niet aanvalt dan wanneer het zich
in gevaar acht; maar hij is ook zeer achterdochtig en verkeert
al spoedig in den waan, dat hij aangevallen zal worden. Hij
loopt, als hij het verkiest, zoo snel, dat een mensch hem te voet
of te paard, rechtuit gaande, niet kan ontkomen. Indien men
den neushoren vangen wil, wacht men het oogenblik af, dat hij
zich heeft nedergelegd om te slapen. Alsdan naderen de jagers
hem onder den wind, dat is tegen den wind in; want hij heeft
wel geen scherp gezicht, maar zulk een verbazend fijnen reuk,
dat hij, als de wind hem begunstigt, de nadering eens vijands
op een vrij aanmerkelijken afstand bemerkt. Zijn de jagers hem
nabij gekomen, dan mikken zij op den kop van het dier, schieten
hunne geweren af en vluchten ijlings weg, omdat de rhinoceros,
indien zij hem niet doodgeschoten hebben, hen zeker met de