Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
nedeii- en Middel-Egypte niet meer -aangetroffen, waar men het
heeft uitgeroeid, omdat het groote verwoestingen aanricht in de
bebouwde velden, waaraan het met zijne plompe voeten nog meer
schade toebrengt, dan door zijne vraatzucht. Hij is een uit-
muntend zwemmer, die wel eenige minuten onder water kan
blijven, zonder boven te komen om adem te scheppen. "Van-
daar dat men het rivierpaard in den stroom niet gemakkelijk
vangen kan, en is het op het land, dan stort het zich, zoodra
het iets ziet of hoort, wat het niet bevalt, oogenblikkelijk in het
water. De beste wijze om het te vangen bestaat daarin, dat
men diepe kuilen aan de oevers der rivieren graaft, en die met
takken en aarde bedekt. Stort het rivierpaard in zulk een kuil,
dan kan men het zonder gevaar dooden en zich van zijn vleesch
bedienen.
Het Zwijn onderscheidt zich van de overige dikhuidige dieren
daardoor, dat het bij het loopen slechts met twee van zijne vier
hoeven den grond raakt. Zijne vier hondstanden kunnen zeer
groot worden en dienen het tot geduchte middelen van verdedi-
ging. Ook heeft het snijtanden en kiezen. De tamme zwijnen
zijn bijna over de geheele aarde verspreid, maar de wilde worden
alleen in de bosschen der gematigde streken van Europa en Azië
gevonden. In Engeland en in ons vaderland zijn zij echter ge-
heel uitgeroeid. Nergens evenwel zijn zij aangename gasten,
want zij vergenoegen zich niet met eikels en beukennoten alleen,
maar woelen ook den grond om, ten einde allerlei wortels te
vinden, die zij gaarne eten. Ook het tamme zwijn heeft deze
gewoonte, en zou dus het weiland zeer bederven, indien de boer
dit niet heel goed, ofschoon niet zachtzinnig, wist te beletten.
Hij steekt het namelijk een ijzerdraad door het puntje van den
neus, draait daarna de uiteinden te zamen, en voorziet alzoo den
neus van het zwijn met eenen ring, die het groote pijn zou doen,