Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
naarmate hij het ter rechter- of ter linkerzijde wil doen uitwijken.
Men kent twee soorten van olifanten, den Indischen olifant, welke
in bijna al de heete gewesten van Azië te huis is, en den Afri-
kaanschen, die Afrika bewoont van den Senegal tot aan de Kaap
de Goede Hoop. Zij verschillen uitwendig vooral hierin, dat de
Afrikaansche olifant veel grooter ooren bezit dan de Indische en
ook grootere en zwaarder slagtanden heeft. — Wat ik van het
vangen van levende olifanten heb gezegd, betreft de Indische.
In ouden tijd werden er ook Afrikaansche olifanten getemd, en
wel door de Karthagers, die er in den oorlog en tot andere doel-
einden gebruik van maakten. Thans echter is er geen volk in
Afrika dat olifanten weet te temmen.
Het Rivier- of Nijlpaard heeft volstrekt geene gelijkenis met
een paard, en zal waarschijnlijk zijnen naam te danken hebben
aan het hinnekende geknor, dat hij maakt. Overigens gelijkt hij
meer op een reusachtig groot vet varken met een zeer breeden
snuit. Dit beest is ruim drie ellen lang, en heeft zulke korte
pooten, dat zijn buik bijna den grond raakt, en toch is het
soms wel anderhalf el hoog. Het heeft een korten staart en zeer
breeden muil; zijne dikke huid is bijna geheel zonder haar en
leikleurig, en aan eiken voet heeft het vier hoeven; ook heeft het
snijtanden, hondstanden en kiezen in de beide kaken. Zijne
hondstanden worden wel drie palmen lang, en leveren een zeer
gezocht ivoor op, maar zijn mond is zoo groot en ruim, dat zulke
tanden er geheel in verborgen kunnen blijven. Gelukkig, dat
zulk een dier — het grootste van alle landdieren na den olifant —
zich met plantenvoedsel voedt, dat het bij dag in de rivieren en
des nachts op de velden zoekt. Maakt men het echter toornig,
dan is het zeer gevaarlijk. Het komt voor in de groote stroomen
van Afrika, zoo als in den Nijl, den Niger, den Senegal, en de
rivieren van Zuid-Afrika. Tegenwoordig wordt het echter in Be-