Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
zijne verbazende krachten alleen gebruikt om zich te verdedigen.
In vrijheid levende, vereenigen de olifanten zich steeds in talrijke
troepen, en bewonen de dichte bosschen van Azië en Afrika,
waar men hunne nadering al van verre bemerkt door het kraken
van takken en jonge boomen , die zij, al voortgaande, verbreken.
Geraken zij in eenig bebouwd veld, dan richten zij zoo groot eene
verwoesting aan, dat er aan geen oogst meer te denken valt.
Daarom maakt men ook vlijtig jacht op hen, hoewel niet alleen
om de schade die zij aanrichten, maar ook omdat hunne tanden —
het welbekende ivoor ef elpenbeen, — zeer duur betaald worden,
en hun vleesch goed tot spijs is, voornamelijk de pooten. De
olifantenjacht is echter niet zonder groot gevaar; want geweer-
kogels dringen wel eens in maar niet door hunne dikke huid,
en brengt men eenen olifant eene niet doodelijke wonde toe, dan
wordt hij woedend, rent op zijnen vijand los, en tracht hem met
zijne slurf aan te grijpen, om hem op den grond te smakken en
met zijne slagtanden te doorboren, of met zijne geduchte pooten
te vertrappen. In Indië tracht men den ohfant levend te vangen,
om hem te temmen en af te richten, en daartoe lokt men hem
in strikken en overdekte kuilen. Meestal echter tracht men ver-
scheidene olifanten te gelijk te vangen, door een geheelen troep
door geschreeuw en groot geraas in eene afgeslotene ruimte te
drijven, of hen door tamme olifanten er in te lokken. Deze
ruimte is aan den ingang zeer wijd, doch wordt allengs nauwer,
zoodat de ingedreven dieren zich ten laatste er niet meer in kun-
nen omkeeren, en zij vervolgens door honger, goede woorden en
het voorbeeld van tamme olifanten genoopt worden, zich in hun
lot te schikken en den wil van eenen drijver te gehoorzamen.
Deze zit gewoonlijk schrijlings op den hals van het dier, en be-
stuurt het deels door woorden, deels door het met een haakje
aan een stok aan het eene of wel aan het andere oor te trekken,