Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
moedig tegen eiken vijand verdedigt. Hij graaft zich geene holen,
maar zoekt eene slaapplaats in het lange gras, waarin hij zich
over dag ophoudt, om des avonds of des nachts zijn voedsel te
zoeken.
9. VEELHOEVIGE DIEREN.
Deze dieren hebben geene nagels maar horenachtige hoeven,
welke de toppen hunner teenen geheel omvatten; sommige heb-
ben vijf zulke hoeven; andere hebben er minder. Zij worden
veelhoevig genaamd, omdat er ook nog andere dieren zijn, die
hoeven bezitten, maar er slechts één of twee aan eiken poot
hebben. De meeste hunner hebben eene dikke huid, die met
weinige, of althans korte haren voorzien is. Ten opzichte hunner
tanden treft men bij hen een groot verschil aan, zooals ik u bij
de beschouwing van eenige zal doen opmerken.
De Olifant is het grootste landdier, daar hij eene hoogte van
drie of zelfs wel van vier ellen bereikt, en somtijds een gewicht
heeft van meer dan drie duizend pond. Hij heeft geene snijtanden
in de benedenkaak en geheel geene hondstanden, maar de snij-
tanden in de bovenkaak zijn zoo groot, dat zij hem ver uit den
mond komen, en dikwerf meer dan honderd pond wegen. Men
noemt ze, evenals de groote hondstanden der andere dikhuidige
dieren, slagtanden. Maar dewijl deze slagtanden zoo verbazend
zwaar zijn, heeft de olifant ook een zeer korten hals, want met
een langen hals zou hij zijn hoofd moeielijk kunnen dragen.
Neem eens een tamelijk zwaar gewicht in uwe hand, en beproef
eens of gij het wel dragen kunt, wanneer gij den arm rechtuit
steekt. Ten minste niet lang; doch indien gij, den elleboog tegen
het lijf sluitende, den arm als het ware korter maakt, dan zal
het veel beter gaan. Als gij dit beproefd hebt, dan weet gij