Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
Gedurende de lente en den zomer leven zij eenzaam of bij paren,
en wonen in holen, welk zij in den grond langs beken, rivieren
of meren graven. In Noord-Amerika, waar de bevers nog het
talrijkst zijn, vereenigen zij zich bij het naderen van den winter
tot een meer of minder talrijk gezelschap, om met en voor
elkander winterwoningen te bouwen. Zulk eene woning bestaat
uit eene hut van aarde en takken, die i'uim eene el hoog is en
waarvan de eene helft beneden, de andere boven de oppervlakte
van het water ligt. Deze hut heeft twee verdiepingen of boven
elkander gelegen vertrekken, doch slechts éénen uitgang en wel
onder water. Het onderste vertrek dient tot bewaarplaats voor
den wintervoorraad, bestaande uit eene vrij aanzienlijke hoeveel-
heid boombast en weeke takken; terwijl het bovenvertrek tot
woonplaats is ingericht en hoog genoeg gebouwd, om altijd droog
te blijven. Indien de woningen in een sterk stroomend water
gebouwd worden, dan leggen de bevers eerst eene soort van dijk
aan, die nagenoeg dwars door den stroom tot op vrij grooten
afstand van den oever loopt, en waardoor een inham of hoek
wordt gevormd, waarin zij de bouwstof hunner woningen kunnen
aanvoeren en gebruiken, zonder dat hun werk door het stroomend
water vernield wordt. Zulk een dijk bestaat uit riet, modder en
takken, die de bevers op den bodem der rivier aanbrengen en
zoo lang opbouwen, tot hij hoog genoeg boven het water uit-
steekt. Wanneer de winter voorbij is, zoeken de bevers hunne
holen weder op; maar is de zomer weder om, dan begeven zij
zich weder naar hunne winterwoningen, herstellen die, als het
noodig is, of bouwen zich nieuwe. Al dien arbeid verrichten zij
gedurende den nacht, maar met eene wonderlijke snelheid. Be-
halve de vellen, waarvan het haar eene ongelijke lengte en bruine
kleur heeft, gebruikt men van den bever ook het vleesch, dat
echter niet zeer aangenaam van smaak is. Gij herinnert u wel