Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
af. Het wild konijn heeft omtrent de kleur van den haas; de
tamme konijnen zijn wit, zwart, zwartbont, grijs, bruin enz.
De hazen en konijnen hebben nog dit opmerkelijke dat achter
tegen hun beide bovensnijtanden nog een paar kleine snijtandjes
staan.
Misschien hebt gij oji de kermis wel eens jongens zien loopen
met een hokje met dieren, die op kleine konijnen gelijken, maar
met kleine ooren en zonder staart, terwijl hunne huid wit,
zwart en roodgeel gevlekt is. Men noemt deze diertjes wel eens
marmotten, doch ten onrechte. Het zijn de zoogenaamde Gui-
neesche biggetjes of Cavia's (spreek uit Savia's). De Cavia
wordt in Europa in tammen toestand nog al veel aangetroffen,
maar behoort te huis in Zuid-Amerika, waar zij ook in het wild
leeft. De wilde Cavia's zijn echter zwart met vuil geel vermengd.
De Bever wordt thans in Europa weinig aangetroffen, en is
in ons vaderland geheel verdwenen, ofschoon nog in deze eeuw een
bever in den IJsel werd gevangen. Zelfs in Noord-Amerika en
Siberie, van waar vroeger duizenden bevervellen kwamen, is hij
veel minder algemeen dan voorheen, en heeft zich aldaar lang-
zamerhand uit de bewoonde streken verwijderd. De bevers onder-
scheiden zich van de overige knaagdieren voornamelijk door hun
breeden en platten staart, welke met schubben bedekt is. Zij
worden, den staart medegerekend, wel eene el lang, en hebben
tusschen de teenen der achterpooten vliezen, die hun bij het
zwemmen zeer dienstig zijn; zij brengen dan ook een groot deel
van hun leven in het water door, en voeden zich overigens voor-
namelijk met dunne takken, waterplanten en den bast der boomen.
Zij bedienen zich, gelijk de meeste knaagdieren, met veel behen-
digheid van hunne voorpooten als van handen, om hun voedsel
naar den mond te brengen. Ook duiken en zwemmen zij uit-
muntend, maar op het droge zijn zij niet vlug en loopen slecht.
Kuyper, Zvoi/dieren. 5e dr. 4