Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
aan hunne vervolgers te ontkomen, zoowel door buitengewone
vlugheid als door hunne groote vreesachtigheid, die hen de vlucht
doet nemen als het gevaar nog verre is. Zij hebben ook geen
enkel wapen om zich te verdedigen, zoodat zelfs een wezeltje
hun tot een vreeselijken vijand verstrekt. Ook nemen zij te
liunner redding dikwerf allerlei listen te baat. Zoo heeft men
gezien, dat een haas, die langen tijd door de honden vervolgd
was, eensklaps in het nest van een anderen sprong, dezen daar-
uit opjoeg en in zijne plaats aan het gevaar trachtte bloot te
stellen, dat hij daardoor hoopte te ontkomen. Verlaat de haas
zijn leger, of keert hij er naar terug, dan zal hij altijd door
linksche en rechtsche sprongen zijn spoor zoeken te verwarren,
zoodat men met behulp van de indrukselen zijner pooten zijn
leger niet kan opsporen, zelfs niet als er sneeuw hgt. In dit
leger brengt de vreesachtige haas het grootste gedeelte van den
dag slapende door; maar zijn gehoor is zeer scherp, en het minste
gerucht maakt hem wakker. Tegen den avond verlaat de haas
zijn leger, zonder zich echter ver te verwijderen, en zoekt zijn
voedsel, dat in allerlei groenten bestaat. In den winter knabbelt
hij aan den bast der boomen, en doet daardoor in de kweekerijen
aan de jonge boompjes dikwerf geen geringe schade. Alleen in
den herfst en winter maakt men bij ons jacht op de hazen, niet
zoozeer omdat in den zomer hunne huid geene waarde heeft,
maar voornamelijk, omdat men hun getal niet te veel vermin-
deren wil en daardoor de jacht bederven.
Het Konijn is kleiner dan de haas. Zijne pooten zijn vrij wel
tot graven ingericht; hij graaft althans lange onderaardsche gan-
gen, waarin hij zijne jongen zoogt en zich aan eenig gevreesd
gevaar onttrekt. Maar daarom wordt hij door de menschen, die
bovendien zijn vleesch gaarne eten en zijne huid wel gebruiken
kunnen, des te meer vervolgd. Ook de konijnen vermenigvuldigen