Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
vooreerst omdat zij haar verblijf zeer hoog kiezen, in de nabijheid
der nooit ontdooiende ijs- en sneeuwvelden, en ten anderen, dewijl
zij uiterst voorzichtig zijn en elkander door een schel geluid voor
een nakend gevaar waarschuwen. Het meest zoekt men ze op
in den herfst, waanneer zij hare winterholen betrokken hebben,
om in eenen winterslaap van zes maanden den volgenden zomer
af te wachten. Zij liggen dan, verscheidene bij elkander, in een
diepen en met hooi tot een zacht leger ingerichten kuil, welks
ingang gesloten is met aarde, die de marmotten van binnen vóór
de opening hebben aangebracht. Dan gevangen, is hun vleesch
vet en smakelijk, maar wanneer de warmte hen weder wakker
maakt, zijn zij zeer mager.
Eer wij verder gaan, moet ik u iets naders zeggen over den
winterslaap van sommige dieren. Deze geraken dan in eenen
toestand van verstijving of verdooving, die wel de gewone slaap
schijnt te zijn, maar er toch zeer van verschilt. De winterslaap
is eigenlijk een toestand, waarin de dieren zeer weinig leven en
daarom geen voedsel noodig hebben, ofschoon zij alle in dien
staat van rust zeer vermageren. Wil men hen doen ontwaken,
dan heeft men hen slechts in een warm vertrek te brengen, en
de warmte van het vuur zal op hen hetzelfde uitwerksel te weeg
brengen als de zomerwarmte. — Gij begrijpt dat niets gemakke-
lijker is, dan de marmotten in haren winterslaap te overvallen,
ten minste als men de moeite niet rekent van op de steile bergen
hare holen op te sporen. Zijn zij echter nog niet volkomen
verstijfd, wanneer de jager in heur hol doorgedrongen is, dan
vluchten zij in de enge gangen van hare woning en graven met
hare graafpooten zoo snel verder, dat zij zelden gevangen kun-
nen worden, te meer daar zij de openingen, welke zij doen ont-
staan, te gelijk achter zich met de uitgegravene aarde toestoppen.
Des zomers leven de marmotten van allerlei wortelen en kruiden,