Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
eene kracht, die men bij zulk een klein diertje niet verwachten
zoude. Hij heeft een zeer scherp gehoor, maar zoo gij eens een'
mol ziet, zult gij moeite hebben om zijne ooren te vinden, want
wat wij gewoon zijn ooren te noemen, zijn slechts uitwendige
toevoegsels, die het goed hooi'en bevorderen. De eigenlijke ooren
liggen bij menschen en diei-en in het hoofd verborgen, en zijn
bij den mol zoo kunstig ingericht, dat hij geene uitwendige ooren
behoeft om zeer scherp van gehoor te zijn. Nu, die uitwendige
ooren zouden hem ook hinderlijk wezen, daar hij zich bijna al-
tijd onder den grond ophoudt en aldaar zijn voedsel zoekt. Hij
behoeft dan ook niet veel te zien, en daarom heeft hij ook slechts
kleine oogen, die zoodanig door het haar bedekt worden, dat er
zand noch aarde kan invallen. Dit heeft aanleiding gegeven tot
de verkeerde meening, dat hij geene oogen had, en tot het
spreekwoord: »zoo blind als een mol." Dit dier graaft zich een kunstig
hol onder den grond, en maakt zich daarin een leger van droge
bladeren. Gedurende eenige uren van den dag is hij bezig onder
den grond te wroeten, om wormen te zoeken, waarmede hij
zich voornamelijk voedt. Gij hebt zeker wel eens molshoopen en
geheele rijen van opgeworpen aarde gezien, die door het wroeten
der mollen ontstaan waren. Zij bewonen gematigd Europa, en worden
algemeen zeer vervolgd, dewijl zij aan tuinen en bebouwde gronden,
door hun wroeten, wel eenig nadeel toebrengen, ofschoon zij door
het verslinden van wormen en insecten veel nut doen. Dat de
mollen de wortels van het gras zouden afeten, is maar een
praatje. Hun vel heeft nog eenige waai'de.
In Zuid-Afrika leeft een kleine mol, wiens huid een fraaie
goudglanzige kleur bezit, en om die reden Glansmol of Goudmol
genaamd wordt.
Tot de insectenetende dieren behooren de Spitsmuizen. Zij
hebben de gedaante en grootte van gewone muizen, doch onder-