Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
wij zullen later zien dat het stekelvarken een geheel ander en
veel grooter dier is. De egel wordt nauwelijks twee palmen lang.
Hij heeft vrij scherpe nagels aan de teenen, en zijne haren op
den rug zijn zoo hard en stjjf, dat zij eigenlijk kleine stekels
vormen, scherp genoeg om hem tegen vele vijanden te beschermen.
Daarbij heeft hij het vermogen, zijne pooten en zijn kleinen kop,
die veel op dien van een varken gelijkt, in te trekken, zoodat
hij er volkomen als een bal uitziet. Hierdoor ontkomt hij zijne
vijanden echter niet altijd, want de vos, bij voorbeeld, weet hem
zeker onverhoeds te overvallen en bij den kop te vatten, aange-
zien men dikwijls de beenderen en het vel van egels rondom
vossenholen gevonden heeft. Hunne stekelige huid is dan ook
hun eenig wapen; hunne kleine tanden kunnen niet ter verdedi-
ging dienen, en daar zij met hunne korte beenen niet snel
kunnen loopen, behoeven zij ook niet hun heil in de vlucht te
zoeken. Waarin hun voedsel bestaat, weet gij reeds, maar ik
moet u nog zeggen, dat zij het liefst wormen eten, die zij uit
den grond halen, terwijl zij dien met hun kleinen varkensnuit
omwroeten. Ook eten zij muizen, wanneer zij die kunnen be-
trappen. In geval van nood schikken zij zich wijselijk naar de
omstandigheden en versmaden vruchten noch wortelen. Men
vindt den egel in alle gematigde landen van Europa. Een gat
onder een hollen boom, eene opening in eenen hoop steenen of
in eene hegge is zijne woning, waarin hij op een bed van mos
en droge bladeren, door hem bijeengebracht, uitrust. Den
winter brengt hij slapende door; als de warmte hem doet ont-
waken, vindt hij ook weder wat te eten.
De Mol is ook een klein dier, want hij wordt niet veel meer
dan ruim een palm lang. Zijn haar is fijn, zoo zacht als flu-
weel of zijde, en gewoonlijk zwart. Zijne voorpooten zijn bij-
zonder geschikt om in den grond te graven, en daartoe bezit hij