Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
verslindt. En toch vindt hij onder de onbeschaafde bewoners van
de streken, waarin hij zich ophoudt, mannen, die geheel alleen
hem aandurven en meestal met goed gevolg bestrijden.
Juist het tegenbeeld van dit woeste dier vindt men in den
Maleischen heer, die nauwelijks de helft der grootte van den
grauwen beer verkrijgt. Hij heeft korte, gladde, zwarte haren,
eenen bruingelen snuit en eene groote witte vlek aan den hals.
Zijn vaderland is het schiereiland Malakka en eenige Indische
eilanden, waar de kokosboom hem zijn voornaamste voedsel ver-
schaft. Onder de beren zou men hem een zachtaardig dier
kunnen noemen; ook wordt hij gemakkelijk tam.
Zeer weinig van dezen verschilt de Snuitheer of Lippenheer,
die zich echter van alle beren onderscheidt door zijne lange,
rekbare lippen, waaraan hij ook den naam, dien hij di'aagt, te
danken heeft. Hij heeft eene buitengewoon lange tong, en daar-
van bedient hij zich om de mieren te vangen. In de gebergten
van Indië — zijn vaderland — leven namelijk groote witte nn'eren,
die zich vrij stevige woningen bouwen. In deze maakt onze beer
gemakkelijk eene opening, steekt daar zijne tong door, en haalt
haar weder terug, wanneer er een heele troep mieren op aange-
komen is. Insecten, honig en vruchten maken uitsluitend zijn
voedsel uit, en dit vindt hij in zijn vaderland altijd in overvloed,
zoodat hij aan geen vleesch behoeft te denken. Hij is zacht van
aard, en laat zich, jong gevangen zijnde, lichtelijk temmen en
zelfs tot allerlei kunstjes africhten.
De Ijsbeer is grooter dan de landheren. Hij is geheel wit,
leeft in het koude Noorden op ijsvelden en klippen, en is een
voortreffelijk zwemmer, hetgeen hem zeer te pas komt, daar hij
zijn voedsel grootendeels in de zee moet opzoeken. Hij leeft van
visschen , jonge walvisschen en zeehonden, en aast ook op het-
geen de walvischvangers van den walvisch overlaten, als zij dezen
Kuïpzr, Zoogdieren. 5e dr. 3