Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
de grootte en sterkte niet bezitten van den tijger, want dan
waren zij veel verschrikkelijker dan deze. De wezel, een beestje
van ongeveer anderhalven palm lang, dat ook in ons land niet
zeldzaam is, vergenoegt zich niet met muizen en kleine vogels
aan te vallen; neen, hij durft ook ratten, mollen en nog grootere
dieren aan, waarbij hem zijne buitengewone snelheid zeer te stade
komt. Men tracht hem in vallen te vangen, omdat hij dikwerf
onder hoenders en duiven groote schade aanricht, of de eieren
uitzuigt, die hij ook wel onder de kin neemt en behendig weet
weg te dragen. Intusschen is dit diertje ook nuttig, want hij
vangt vele schadelijke dieren, wier groote vermenigvuldiging een
ware ramp zou zijn. Hij heeft echter ook zijne vijanden. Menige
wezel wordt dooi- de honden dood gebeten; vele roofvogels loei'en
op hem, en de ooievaar slokt hem soms met huid en haar naar
binnen. — Het bruine, van onderen witte vel van den wezel
heeft geringe waarde, maar des te meer wordt het vel van den
hermelijn gewaardeerd. Deze wordt voornamelijk in koude landen
gevonden, ook in ons vadei'land, alsmede in Duitschland en Frank-
rijk. Aldaar echter verwisselt hij zijn bruin zomerkleed niet,
zooals in Siberië, met een schoonen, witten winterpels, die als
een uiterst kostbaar bont zeer duur betaald wordt. De punt van
zijnen staart blijft echter altijd zwart; en een mantel gevoerd met
hermelijn, waarop de zwarte staarten op het schoone wit zoo
fraai afsteken, is eigenlijk een vorstelijk sieraad.
De Bunzing en het Fret zijn kleine roofdieren, die in vele
opzichten met elkander overeenkomen, zoodat sommigen hen voor
dezelfde dieren houden, die slechts in kleur van haar en oogen
verschillen. De bunzing heeft eene bruine, zwart- en witgevlakte
huid en zwarte oogappels, terwijl het fret geelachtig wit is, en
roode oogappels heeft; maar de bunzing is ook iets grooter dan
het fret, schoon hij slechts eene lengte van drie palmen bereikt.