Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
goed kunnen onderscheiden, maar niet zoo goed de kiezen, die
dan ook hij vele roofdieren onderscheiden zijn van die der kat.
Ik raad u echter niet aan, poes den bek open te maken om hare
tanden eens goed te kunnen bekijken, want al is zij nog zoo
mak, geloof ik niet, dat zij dit zonder ki'abben of bijten toelaten
zou. Met den iiond — ook al een roofdier — zou dit misschien
beter gaan; maar over het algemeen moet men de werktuigen,
welke de dieren ter verdediging bezitten, niet zonder noodzakelijk-
heid aanraken. Het is merkwaardig dat alle roofdieren groote
oogen hebben, en dat vele bij weinig licht vrij goed kunnen
zien, zoodat zij zelfs des nachts hunne i)rooi weten op te sporen
en te bemachtigen. Gij weet immers wel, dat de kat des nachts
zeei' goed ratten en muizen weet te vangen? Ik zal u echter
wel niet behoeven te zeggen dat geheel in de duisternis, of zon-
der licht hoegenaamd, geen dier ter wereld iets zien kan. —
Men vindt de i'oofdieren in alle landen der aarde, maar de sterk-
ste en verschrikkelijkste onder hen vindt men het tah'ijkst in
de heete gewesten.
Geen roofdier is den mensch van meer nut dan de trouwe
Hond, dien men overal aantreft, waar menschen wonen. Hoewel
hij, naar zijnen aard. zich het liefst voedt met levende dieren,
stelt hij zich echter met brood en andere spijzen te vreden, die
zijn meester hem geeft; ja zelfs brengt de jachthond een gevangen
haas bij zijnen meester, in plaats van dien te verslinden. Onder-
tusschen zijn niet alle honden zoo mak en handelbaar, als die
welke wij kennen. In de Oostersche landen is de hond een
w^oest dier, dat niemand toebehoort, en zijn aard als roofdier
zeer kenbaar maakt.
De Wolf is een roofdier, dat veel op den hond gelijkt. Hij
is zeer sterk, zoodat hij niet alleen schapen en andere zwakke
dieren aanvalt, maar zelfs herten en paarden. Dit woeste dier