Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De Langarm-aap of Gibbon is veel kleiner, maar heeft zulke
lange armen, dat hij overeind schijnt te staan, al loopt hij op
viel- pooten. Hij leeft in Oost-Indie.
De Slankapen zijn veel kleiner en onderscheiden zich door hun
rank lichaam, hun langen staart en hunne wangzakken. Van
een dezer apen, de Hoelman geheeten en in Bengalen te huis
behoorende, verhaalt een reiziger den volgenden trek van teeder-
heid voor zijn jong. »Ik had reeds lang begeerd, eenen Hoelman
(e vangen, doch werd door de Indianen, die dezen aap met een
bijgeloovigen eerbied beschouwen, daarvan telkens terug gehouden.
Eindelijk gelukte het mij er eenen te schieten. Het was eene
moeder met haar jong. Ik had haar doodelijk getroffen, maar
eer zij stierf verzamelde zij nog éénmaal al hare krachten, zette
haar jong op een veiligen boomtak, en stortte toen dood voor
mijne voeten neder. Deze roerende trek van moederlijke zorg
deed mij zoo zeer aan, dat ik, veel meer met droefheid dan met
blijdschap, het gedoode dier niedenam om het op te zetten en in
mijne verzameling te bewaren."
De soort van aap, die het meest naar ons land wordt gezonden,
en dien gij dus wel 't best zult kennen, is de Laponder-aap
van Sumatra en Borneo.
Een anderen aap, den Mandril, herkent men terstond aan de
groenachtige haren, waarmede zijn forsch lichaam voor het grootste
gedeelte bedekt is. Hij behoort tot die apen, welke om de ge-
daante van hunnen kop Hondskoj^pen, ook wel Bavianen, ge-
noemd worden. Hij heeft een blauw en rimpelig gelaat en wang-
zakken , maar geen langen staart. Het is een woest en boos-
aardig dier, dat zich met moed tegen den aanval van eiken vijand
verdedigt, en daar hij groot en zeer sterk is, door de negers van
Guinea — zijn vaderland — zeer gevreesd wordt.
Nu wil ik u wat van een paar apen vertellen, wier vaderland