Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
zijn zij bijzondei' goed thuis, want hunne handen zijn juist ingericht
om te klimmen; vandaar, dat zij de boomen zelden verlaten.
De tanden der apen komen veel met die der menschen overeen,
waaruit wij al terstond oj)maken kunnen, dat zij hetzelfde voedsel
noodig hebben als wij. Nu, de apen leven dan ook voornamelijk
van vruchten; zij rooven de eieren uit de vogelnesten, en vele
hunner versmaden ook de jonge vogeltjes niet, evenmin als de
oude, als zij die kunnen bemachtigen. Ook zijn de meeste apen
groote liefhei)bers van allerlei vliegen en torren, of dusgenoemde
insecten.
Men vindt de apen in Afrika en in de heete landen van Azië
en Amerika. Ook woi'den zij in Europa, doch alleen in het
zuiden van Spanje, nabij Gibraltar, aangetroffen. Hieruit kan
men wel opmaken, dat de apen, daar zij zoo vele verschillende
landen bewonen, ook zeer van elkander moeten onderscheiden
zijn, en inderdaail zijn er een zeer groot aantal sooi'ten van deze
(lieren bekend. De apen der oude wereld — dat zijn dezulke
<lie Azië, Afrika of Europa bewonen, — hebben alle even-
veel snijtanden, hondstanden en kiezen als de mensch. Vele
bewaren somtijds het voedsel, dat zij verzamelen, in den mond
tusschen de onderkaken en de wangen, die zeei- rekbaar zijn en
eene soort van zak vormen. Vandaar ziet men dikwerf dat een
aap, dien men kort na elkander b. v. eenige amandelpitten geeft,
deze met snelheid in den mond steekt, zonder ze op te eten. Hij
bewaart ze zoolang in zijne zakwangen, totdat men hem niet
meer geeft, om ze dan op zijn gemak één voor één op te peuzelen.
De aapjes, die somtijds in talrijke troepen met elkander leven,
weten het zeer goed, dat zij en hunne makkei-s deze gewoonte
hebben; want indien één hunner eens zeer gelukkig op de insecten-
jacht geweest is, en zij dit aan zijne dikke, gevulde zakwangen
bemerken, dan dwingen zij hem door slagen zijnen schat af te