Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
yi
kracht meer heeft om onder water te duiken en zich drijven laai,
de zee met het bloed, dat uit zijne wonden vloeit, rood vervende.
Dan nadert men hem, altijd echter zijnen staart vermijdende,
waarvan een enkele slag nog voldoende zou wezen om eene boot
te verbrijzelen. Met eene lange lans brengt men hem nu de
laatste doodelijke wonde toe, en wacht tot het dier gestorven is.
dat men daaraan bespeurt, als het zich op zijde of op den rug
legt. Daarop trekt men den dooden walvisch naar het schip;
eenige mannen met scherpe ijzeren pennen onder hunne schoenen
springen op hem, en snijden hem al het spek van het lichaam,
benevens de tong en de baarden uit den mond, waarna men het
rif laat wegdrijven. Nu, er zijn roofdieren genoeg in de LTszee
om zich met het vleesch te voeden, dat de menschen — de
Groenlanders uitgezonderd — versmaden. Een groote walvisch
brengt bij de 10,000 gulden op, daar hij wel tweehonderd vaten
traan en meer dan duizend pond baleinen oplevert. De walvisch-
vangst bloeide vroeger bij ons zeer, maar is nu geheel in hand(!n
van andere volken.
De Potvisch of Cachelot is niet minder groot dan de walvisch:
zijn buitengewoon groote en dikke kop is van voren even dik
als van achteren. Zijne benedenkaak is gewapend met eene rij
scherpe tanden, die, wanneer hij den mond sluit, juist passen in
daartoe geschikte holligheden in de bovenkaak, welke noch van
tanden, noch van baarden voorzien is. Hij is een geweldige
roover, die zeehonden, dolfijnen en zelfs nog grootere dieren ver-
slindt. Men ziet den potvisch niet alleen in de IJszee, maar ook
in zuidelijker zeeën; men vangt hem om zijn spek, en vooral om
de groote hoeveelheid olie, die in zijn kop gevonden wordt, en
welke, koud wordende, tot eene witte wasachtige stof stolt,
spermaceti geheeten, waarvan men zeer goede kaarsen maakt,
die niet minder geacht worden dan waskaarsen.