Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Auteur: Kuyper, Theunis; Lubach, Douwe
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1885
5e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201151
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie der zoogdieren: een leer- en leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
;io
zij meer- naar de polen gevlucht, en moet men hen tusschen ijs-
bergen en ijsvelden opspoi'en; en dat de walvisch vangers daarbij
aan groote gevaren blootstaan, kan daaruit blijken, dat er in het
jaar 1830 uit de Engelsche havens één en dertig schepen ter
walvischvangst uitvoeren en daarvan negentien bodems met zeven-
honderd menschen niet terugkeerden! — De walvischvanger nu
zoekt de eenzaamste streken der noordelijke of zuidelijke IJszee
op, en loert er op of hij ook den zwarten rug van eenen walvisch
boven het water ziet uitkomen, of de twee dikke waterstralen
ontdekt, welke zulk een dier dikwerf opspuit.
Nauwelijks heeft men den walvisch ontdekt, of terstond begeven
zich verscheidene kloeke mannen in de booten van het schip,
roeien behoedzaam voort, en trachten hem onbemerkt te naderen.
Gelukt het hun hem behoorlijk te naderen, dan neemt éen van hen,
de harpoenier genaamd, een harpoen, zijnde een ijzeren, schei'p
gepunte speer, en werpt dien met de punt zoo krachtig in het
lichaam van den walvisch, dat hij diens dikke huid doordringt,
en in de speklaag blijft zitten. Zoodra de walvisch zich gewond
voelt, duikt hij met onbegrijpelijke snelheid naar beneden, maar
te laat; want hij is nu reeds zoo goed als gevangen. De harpoen
toch is met verscheidene weerhaken voorzien, en aan een sterk
touw van eenige hondorden ellen lang verbonden, dat in de sloep
ligt opgeschoten en gemakkelijk afviert. Terwijl de walvisch
voortschiet, rolt het touw dus gemakkelijk, maar toch met groote
snelheid af; mocht het te kort wezen, dan moet men intijds
een tweede touw aan het eerste vastmaken; maar bij dit alles
zijn groot beleid en groote voorzichtigheid noodig. Intusschen
komen al de visschers van het schip met hunne booten te hulp.
om hunne prooi, die toch weder boven moet komen om versche
lucht te scheppen, opnieuw met harpoenen te begroeten, en dit
werk houdt men zoo lang vol, tot de afgetobde walvisch geen