Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
der „zwarte aarde", de gewichtigste voor den Eussischen akker-
bouw. De streek tusschen beide landruggen is van zeer afwis-
selende gesteldheid, maar het bevolkste en nijverste deel van
het Eijk. Nog noordelijker zijn de noordelijkste landverheffing
en de vlakte tot de IJszee, bedekt door onmetelijke wouden,
bevolkt door pelsdieren, en eerst uit loofhout, noordelijker uit
naaldhout bestaande, tot eindelijk alleen struikgewas en kruiden
de bevroren moerassige gronden bedekken. De flauwe helling
naar de Oostzee is gewichtig door bosschen en vlasbouw, en
die kustlanden zijn de belangrijkste handelsgewesten van Rusland.
In West-Europa wordt de vruchtbare vlakte menigmaal afge-
wisseld door heiden, met hare eenvormige bekleeding van
roodbruine heideplantjes, hier en daar afgewisseld door drassige
hei-vennen met harde grassoorten bedekt, of door v e e n e n , de
legerplaatsen van halfvergane planten van verschillenden aard,
die ons den turf leveren. Eigenaardig zijn de heerlijke weide-
streken van de lage vlakte, welke in Nederland en aangrenzende
landen de veefokkerij tot zulk eene opmerkelijke hoogte voerden.
De Alpen. Het bergachtig gedeelte van den romp wordt vrij
juist door een driehoek omschreven, welks zijden van het midden
der Pyreneeën tot de Donau-monding, van deze tot den beneden-
Rijn , en vandaar tot het uitgangspunt te trekken zijn. Het
hoogst verrijzen binnen deze ruimte de ten noorden van den Po
liggende A. 1 p e n (f van Pruisen), wier gebied zich uitstrekt
van Frankrijks zuidoostkust naar het noorden tot het meer van
Genève, en vandaar naar het oosten tot aan de Hongaarsche
meren. Zij bestaan uit een aantal zeer aanzienlijke bergketenen,
welke in het midden langs de lengte-as zoo hoog zijn , dat er
eeuwige sneeuw en uitgebreide gletschers en ijsvlakten op liggen.
In 't westelijke gedeelte der Alphen ligt zuidwaarts van het
meer van Genève Europa's hoogste berg, de 4800 meter hooge
Montblanc, — iets zuidelijker de Mont-Cenis, welke door
een 1| mijl langen tunnel is doorboord, ten behoeve van den