Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
het eilandrijke Mal ar-meer, dat langs de hoofdstad Stockholm
in zee afvloeit. — Noordelijker mondt de D a 1 - e 1 f. — De
laatste der vele bijna evenwijdig loopende, naar het O. afvloeiende
Zweedsche stroomen is de Tornea-elf, de grens tusschen
Zweden en Finland uitmakend en aan het noordelijk uiteinde
van de Bothnische golf mondend.
In 't oostelijkst deel van de Finsche golf mondt de korte
Newa, de afstrooming van het La do ga-meer, zoo groot
als onze vijf noordelijkste en oostelijkste provinciën (welke dus?),
dat in verbinding staat, in 't O. met het Onega-meer, tweemaal
grooter dan Gelderland, in 't Z. met het 11 m e n - meer. —
Aan de zuidzijde van gemelde golf vloeit het Peïpoes-meer
door de N a r o w a af. — In de Rigasche golf werpt zich de
Düna, I van den Rijn.
In het Kurische hafï mondt de Njemen of Memel, ruim
half zoo lang als de Rijn. — Aan de noord-oost hoek van het
Frische haff de veel kleiner Pr eg el, die het water van eenige
meren afvoert. — In de Dantziger bocht werpt zich de Weich-
sel, iets kleiner dan de. Rijn; nabij de Karpaten ontspringend,
wendt zij zich met eene groote bocht eerst oostwaarts en noord-
waarts, dan noordwest- en eindelijk noordwaarts, een arm naar
het Frische haff richtend. Rechts neemt zij den vrij grooten
B C'"« g op.
Behalve eenige kustrivieren van minder belang, valt de Oder,
ruim 4 van den Rijn, aau de Pommersche kust in zee. Zij
ontspringt p het Sudeten-gebergte, stroomt naar 't noordwesten
en wendt zich dan naar het noorden, de eilanden Usedom en
Wollin met 3 armen omstrenglend. Rechts neemt zij op de
Warte, zoo groot als de Seine, en deze weder de Netze;
links de B o b e r,
In de Noordzee vloeit de Ei der in zuidelijk Jutland, door
een kanaal met de Oostzee verbonden. — Voorts de den Eijn
in lengte bijna evenarende Elbe, die op het Reuzen-gebergte
ontspringt en Bohemen, Saksen en Pruisen doorstroomt. Zij